Wegwijs Borstvoeding • Vraagbaak
  • Anatomie en fysiologie van borstvoeding
    • Kan een moeder van wie de borsten niet groeien tijdens de zwangerschap borstvoeding geven?
      • Ja.
        Tijdens de zwangerschap zorgt een toename van het melkklierweefsel ervoor dat de borsten zwaarder worden en de bloedvaten beter zichtbaar zijn. Door hoge concentraties prolactine en human placental lactogen verandert de borst in een melkproducerende klier.
        Er is echter veel variatie in toename van het melkklierweefsel. Bij sommige vrouwen worden de borsten al beduidend zwaarder tijdens het eerste trimester van de zwangerschap, terwijl er bij andere een geleidelijke toename is doorheen de hele zwangerschap of helemaal geen groei wordt vastgesteld tot net voor of na de partus. De toename van de borstomvang tijdens de zwangerschap is dan ook niet altijd bepalend voor de mogelijkheid om borstvoeding te geven of de hoeveelheid melk die de borsten kunnen aanmaken (zie ook vraag ‘Kan een moeder met kleine borsten borstvoeding geven’?)
    • Kan een moeder met kleine borsten borstvoeding geven?
      • Ja.
        Zoals in alle biologische systemen zijn bij borstvoeding anatomie (vorm) en fysiologie (functie) onlosmakelijk met elkaar verbonden. De functionele capaciteit van de menselijke borst wordt echter niet volledig gedetermineerd door de vorm. Borstomvang blijkt dan ook een slechte voorspeller te zijn voor de mogelijkheid om borstvoeding te geven.
        We dienen echter wel een onderscheid te maken tussen kleine borsten en hypoplasie, waarbij de borsten duidelijk onderontwikkeld zijn. Dit kan voorkomen wanneer jonge vrouwen veel anovulatoire cycli hebben. In geval van ernstige hypoplasie kan er wel sprake zijn van onvoldoende melkproductie.
    • Welke tips geef ik een moeder met polymastie (bijkomende borstweefsel, meestal onder de oksel)?
      • Wanneer er melkklierweefsel aanwezig is in dit borstweefsel ondergaat dit weefsel tijdens de zwangerschap en lactatie dezelfde veranderingen als de normale borst. Dit kan behandeld worden met ijscompressen, koude koolbladeren, orale analgesie of andere anti-inflammatoire medicatie. Na de periode van het opstarten van de borstvoeding en de stuwing zal dit borstklierweefsel atrofiëren en geen problemen meer geven tijdens de lactatieperiode.
    • Zorgt polythelie (of bijkomende tepels zonder borstweefsel) voor problemen bij de borstvoeding?
      • Nee.
        Deze tepels kunnen zich eender waar op het lichaam langs de embryonale melklijnen bevinden en vereisen geen behandeling.
    • Kan een moeder met vlakke tepels borstvoeding geven?
      • Ja.
        Vlakke tepels komen voor bij 10 tot 35% van de bevolking en vormen geen probleem bij borstvoeding. Omdat tepels opgebouwd zijn uit erectiel spierweefsel zullen ze bij manipulatie meer naar voren komen, maar ook wanneer dit minimaal is hoeft dit niet problematisch te zijn. De baby neemt immers niet alleen de tepel maar ook het omliggende weefsel in de mond waardoor de vorm van de tepel van ondergeschikt belang is.
    • Kan een moeder met ingetrokken tepels borstvoeding geven?
      • We spreken van ingetrokken tepels wanneer de tepel(s) – bilateraal of unilateraal – in de borst weg kruipen bij manipulatie. Dit komt voor bij ongeveer 3% van de vrouwen. Soms is het mogelijk dat de baby de tepel naar buiten zuigt, of zijn mechanische hulpmiddelen nodig. Deskundig advies is in deze situatie aangewezen.
        De ernst van ingetrokken tepels vermindert vaak na enkele weken borstvoeding of kolven. Mits goede begeleiding en motivatie in de eerste weken kan de borstvoeding dan zeer goed verlopen.
    • Kan een moeder die eerder een borstvergroting onderging nog borstvoeding geven?
      • Over het algemeen geeft een borstvergroting weinig problemen bij borstvoeding. Iedere situatie dient echter individueel geëvalueerd te worden.
        Bij een borstvergroting wordt een implantaat achter het borstweefsel of achter de borstspier ingebracht. In principe wordt niet aan het melkklierweefsel geraakt en kan de melkproductie dus op gang komen. Wanneer er een insnijding gemaakt werd in de buurt van de areola kan dit echter problemen veroorzaken bij het toeschieten van de melk. Een borstoperatie kan er ook voor zorgen dat de gevoeligheid van de zenuwen tijdelijk toe- of afneemt. Als de borstvergroting gebeurde omwille van onvoldoende borstontwikkeling en er van nature te weinig melkklierweefsel aanwezig was, is een problematische melkproductie hieraan te wijten en niet aan de borstchirurgie. Sommige moeders met silicone implantaten zijn bezorgd om het effect hiervan op de gezondheid van hun baby. Onderzoek heeft echter aangetoond dat het siliconegehalte in moedermelk bij deze moeders niet hoger ligt dan bij moeders zonder implantaten. Meldenswaardig hierbij is overigens dat het siliconegehalte in koemelk ongeveer tien keer hoger ligt dan in moedermelk, en het gehalte in kunstvoeding zelfs nog hoger is.
    • Kan een moeder die eerder een borstverkleining onderging nog borstvoeding geven?
      • De vraag of moeders na een borstverkleining nog volledig borstvoeding kunnen geven is individueel te evalueren. Een evaluatie kan pas gemaakt worden na het opstarten van de borstvoeding. Het slagen van de borstvoeding zal afhankelijk zijn van de hoeveelheid melkklierweefsel dat nog aanwezig is, van de verbinding van de melkkanalen met de tepel en de bezenuwing van het tepelhof. Sommige moeders slagen er toch in de baby volledig of gedeeltelijk borstvoeding te geven of voeden met één borst. Vaak is de melkproductie echter ontoereikend om de baby volledig te voeden en/of is er onvoldoende toeschietreflex door beschadiging van de bezenuwing rond het tepelhof.
        Bij een borstverkleining worden vaak aanzienlijke hoeveelheden borstklierweefsel weggenomen, de melkkanaaltjes worden beschadigd en er kan een insnijding rond de areola gemaakt worden waardoor de toeschietreflex problematisch wordt. Wanneer bij het verplaatsen van de tepel bovendien de verbinding tussen klierweefsel en tepeluitgangen wordt verbroken, wordt de kans op succesvolle borstvoeding kleiner.
    • Kan een moeder bij wie een knobbeltje of cyste in de borst werd verwijderd nog borstvoeding geven?
      • Wanneer het nodig is om een knobbeltje of cyste te verwijderen zijn de gevolgen voor de borstvoeding afhankelijk van de plaats van incisie. Meestal is er echter geen hinder voor de borstvoeding. Tijdens de borstvoedingsperiode zijn de borsten wel moeilijker te onderzoeken op knobbeltjes, maar dit zou artsen niet mogen aanzetten tot het advies om de borstvoeding af te bouwen.
    • Welke hormonen spelen een rol bij borstvoeding?
      • De belangrijkste borstvoedingshormonen zijn oestrogeen, progesteron, prolactine en oxytocine.

        Oestrogeen
        Tijdens de zwangerschap zorgt een toename van oestrogeen ervoor dat de groei en werking van het melkgangenstelsel gestimuleerd wordt. Bij de bevalling daalt het oestrogeengehalte en blijft laag tijdens de eerste maanden postpartum.

        Progesteron
        Het progesterongehalte blijft gedurende de hele zwangerschap hoog en is nodig voor de ondersteuning van de zwangerschap. Dit hormoon zorgt ervoor dat de melk die reeds tijdens de zwangerschap wordt aangemaakt op basis van prolactine, niet vrijkomt. Na de bevalling is er een sterke daling van het progesteron. Deze daling zorgt er samen met het hoge prolactinegehalte voor dat de lactogenese wordt ingezet.

        Prolactine
        Prolactine speelt zowel bij de start van de lactatie als voor het onderhouden van de melkproductie een belangrijke rol. Zonder prolactine zal er geen melkproductie kunnen plaatsvinden.
        Naarmate het prolactinegehalte toeneemt tijdens de zwangerschap komen de alveoli en melkkanalen tot volle ontwikkeling. De sterke daling van oestrogeen en progesteron bij de bevalling zorgt ervoor dat de hypofyse niet langer geïnhibeerd wordt en grote hoeveelheden prolactine kan vrijgeven.
        Tijdens de borstvoeding zorgt het zuigen van de baby voor een stimulatie van de zenuwbanen in de tepel. Hierdoor wordt bijkomende prolactine vrijgegeven. Als reactie op het vrijgekomen prolactine maken de alveoli melk aan.

        Oxytocine
        Het hormoon oxytocine is essentieel voor het verderzetten van de lactatie. Het veroorzaakt niet alleen de melk-ejectie- of toeschietreflex, maar zorgt eveneens voor contracties van de uterus. Dit zorgt ervoor dat de uterus sneller inkrimpt en overmatige bloedingen worden tegengegaan. Oxytocine wordt tijdens elke voeding aangemaakt en dit tijdens de hele lactatieperiode.
    • Hoe verloopt de lactogenese (overgang van zwangerschap naar lactatie)?
      • De overgang van zwangerschap naar lactatie (lactogenese) doorloopt verschillende fases: lactogenese I, lactogenese II en lactogenese III.

        Lactogenese I
        De mogelijkheid van het melkklierweefsel om melk af te scheiden vanaf 15 à 20 weken na de conceptie tot dag 2 postpartum wordt lactogenese I genoemd. Tijdens deze fase wordt de functionele ontwikkeling en de melkproductie gestimuleerd door prolactine.

        Lactogenese II
        De fase van overvloedige melkproductie die loopt van dag 2 of 3 tot dag 8 postpartum is lactogenese II. Deze fase wordt 30 à 40 uur na de geboorte en verwijdering van de placenta ingezet onder invloed van enerzijds de hoge prolactineconcentratie (essentieel voor lactatie) en anderzijds de daling van progesteron (melkafscheiding wordt niet langer geblokkeerd). Hoewel dit proces vroeger van start gaat, voelt de moeder het pas na 50 à 73 uur na de geboorte.

        In deze fase verandert de melk ook van samenstelling. Het colostrum bevat hoge concentraties natrium, chloride en immuunstoffen. Vlak na de geboorte en voor de toename van het melkvolume begint het natrium- en chloorgehalte af te nemen, en neemt het lactosegehalte toe. Hoewel de concentratie aan bepaalde immuunstoffen licht afneemt bij de toename van het melkvolume in lactogenese II, gaat het nog steeds om substantiële hoeveelheden immuunstoffen. Op dag 4 is de samenstelling van de melk reeds te vergelijken met rijpe moedermelk.

        Lactogenese III
        Onder lactogenese III verstaan we het onderhouden van de melkproductie. Zolang er melk wordt afgenomen door de baby, zal de melkproductie worden verder gezet. Terwijl lactogenese I en II - die endocrien gestuurd worden - zich bij alle pasbevallen moeders voordoen, ongeacht of er borstvoeding wordt gegeven, start lactogenese III enkel bij voedende moeders vermits de melkproductie in deze fase afhankelijk is van de vraag.
    • Wat is het verschil tussen autocriene en endocriene controle van de melkproductie?
      • Lactogenese I en II worden gekenmerkt door een uniek samenspel van hormonen, met andere woorden: de melkproductie wordt endocrien gecontroleerd. Tijdens de lactogenese III wordt de melkproductie niet langer hormonaal gecontroleerd, maar verloopt ze autocrien, d.w.z. onder invloed van vraag en aanbod. Voor een goede melkproductie is het van belang dat er regelmatig gevoed wordt.
    • Wat is de functie van de toeschietreflex?
      • De melk-ejectie-reflex of toeschietreflex zorgt ervoor dat de melk beschikbaar wordt voor de baby. Door het zuigen van de baby aan de borst worden de zenuwuiteinden in de tepel en areola gestimuleerd. De zenuwimpuls die hierbij gegeven wordt loopt naar de hypothalamus waardoor oxytocine wordt afgegeven door de hypofyse-achterkwab. Onder invloed van oxytocine trekken de spiercellen rondom de alveoli vrijwel direct samen. Deze samentrekking zorgt ervoor dat de melk die zich in de alveoli bevindt in de melkkanalen en verder in de tepel gestuwd wordt.
    • Hoe kan je merken dat de melk toeschiet?
      • Dat er sprake is van een toeschietreflex wordt duidelijk wanneer er melk uit de borst druppelt of spuit. Wanneer de baby aan de borst zuigt kan een toeschietreflex ook worden vastgesteld aan de hand van een veranderd zuigpatroon waarbij men de baby ongeveer iedere seconde duidelijk kan horen slikken, en waarbij zuigen, slikken en ademen elkaar afwisselen. Meerdere toeschietreflexen binnen een voeding zijn mogelijk, hoewel de moeder meestal enkel de eerste toeschietreflex zal voelen.
    • Kan de toeschietreflex voor pijn zorgen?
      • Ja. De toeschietreflex kan bij de moeder zorgen voor:
        • een moment van scherpe pijn in de borst
        • een gevoel van volle of gespannen borsten
        • een tintelend gevoel binnen in de borst.
    • Wat te doen wanneer de toeschietreflex uitblijft?
      • Wanneer de melk moeilijk toeschiet kan massage of warmte helpen. Bij aanhoudende problemen kan de neusspray Syntocinon helpen. Deze spray bevat oxytocine en kan hierdoor de toeschietreflex opwekken.
        Er is ook een psychologische component aan de toeschietreflex verbonden. Ook emoties kunnen immers het toeschieten van de melk positief of negatief beïnvloeden.
        Oxytocine kan vrijkomen bij:
        • het horen huilen van een baby
        • het denken aan de baby
        • de gedachte aan het voeden
        • het naderen van het voedingsmoment.
      • Anderzijds kan het vrijkomen van oxytocine worden verhinderd door:
        • pijn
        • schaamte
        • angst.
      • Als gezondheidswerker is het dus van belang om ook bedacht te zijn op deze psychologische aspecten. Op deze manier is het mogelijk om actief in te spelen op situaties die de toeschietreflex bevorderen, of aandacht te hebben voor het verlichten van spanningen.
    • Hoe evolueert de samenstelling van de moedermelk doorheen de lactatieperiode?
      • De samenstelling van moedermelk is niet constant maar varieert naargelang het stadium van de lactatie, de leeftijd van het kind, het borstvoedingspatroon, het verloop van de voeding, en het seizoen.
        Het meest bekende voorbeeld hiervan is de unieke samenstelling van colostrum, dit is de moedermelk van de eerste dagen postpartum. Colostrum bevat in vergelijking met rijpe moedermelk meer eiwitten en mineralen enerzijds, en minder koolhydraten, vetten en bepaalde vitamines anderzijds. Bij de overgang van colostrum naar rijpe moedermelk neemt de concentratie immunoglobulines of antistoffen af. Toch blijft de dagelijkse totale hoeveelheid immunoglobulines die via de moedermelk aan het kind wordt doorgegeven constant doorheen de lactatieperiode. De hoeveelheid melk die de baby drinkt neemt immers toe wanneer de concentratie daalt en wanneer het melkvolume later weer afneemt, zal de concentratie aan immunoglobulines opnieuw toenemen.
        Na enkele dagen postpartum verandert het dikke, romige en gelige colostrum in dunnere, rijpe moedermelk die wit of soms blauw-wit van kleur is. De overgang van colostrum naar overgangsmelk en verder naar rijpe moedermelk verloopt geleidelijk, waardoor het in feite niet om drie duidelijk onderscheiden stadia gaat maar om fases van een continuüm.
    • Wat is het verschil tussen voor- en achtermelk?
      • Doorheen de voeding gaat de melk over van voormelk naar achtermelk. Er bestaan veel misverstanden over het gebruik van de termen ‘voor- en achtermelk’. De melk die ter beschikking is bij het begin van de voeding is gekend als ‘voormelk’ terwijl de term ‘achtermelk’ vaak gebruikt wordt om te verwijzen naar de melk die de baby naar het einde van de voeding toe, inneemt. Het enige verschil tussen voor- en achtermelk is het vetgehalte. Binnen een bepaalde borstvoeding stijgt het vetgehalte lineair naarmate de melk uit de borst verwijderd wordt. Een vrouw met een groot beschikbaar melkvolume voor de baby bij het begin van de dag zal haar eerste voeding mogelijkerwijs beëindigen met slechts een lichte verhoging van het vetgehalte (omdat de borst nog redelijk vol is). Als dezelfde vrouw naar de avond toe minder volle borsten heeft (wat toch voldoende is voor een goede borstvoeding) kan het vetgehalte bij het begin van deze voeding hoger liggen dan op het einde van de ochtendvoeding. Zo kan de voormelk van de avondvoeding meer vet bevatten dan de achtermelk van de ochtendvoeding. Het vetgehalte varieert dus van voeding tot voeding, maar binnen één voeding geldt dat het geleidelijk aan toeneemt.
    • Waarom is moedermelk lichter verteerbaar dan kunstvoeding?
      • Ongeveer 40% van de totale eiwitten in moedermelk bestaat uit caseïne, de resterende 60% bestaat uit wei. De hoge concentratie wei verteert snel en makkelijk, en vormt een zacht, vlokkig stremsel. Caseïne (het dominante eiwit in koemelk) is moeilijker te verteren en vormt een taai en rubberachtig stremsel. Doordat moedermelk meer wei dan caseïne bevat is het licht verteerbaar voor de baby.
    • Wat is het belang van het hoge cholesterolgehalte van moedermelk?
      • Het cholesterolgehalte in moedermelk is hoog (100-150 mg/l), dit in tegenstelling tot kunstvoeding. Tijdens het eerste levensjaar hebben baby’s deze cholesterol echter nodig. Cholesterol wordt gebruikt om een beschermende laag rond de zenuwbanen (myeline-schede) te vormen, die op hun beurt een goede motoriek mogelijk maken. Het hoge cholesterolgehalte in moedermelk zorgt mogelijk voor een bescherming tegen hart- en vaatziekten op latere leeftijd, omdat er in het lichaam van de baby een aanpassing plaatsvindt die bepaalt hoe men later vetten zal verwerken.
    • Wat zijn de beschermende eigenschappen van moedermelk?
      • Moedermelk draagt enerzijds bij tot de ontwikkeling van het immuunsysteem, en biedt anderzijds de bescherming die het kind nodig heeft tot het in staat is om zichzelf te beschermen.

        Er is sterke evidentie voor dat moedermelk net als colostrum beschermt tegen infectieziekten, zoals bacteriële meningitis, maagdarminfecties, luchtweginfecties, necrotiserende enterocolitis, urinaire infecties en middenoorontsteking. Daarnaast wijzen bepaalde onderzoeken op een beschermende werking voor lymfoma, wiegendood, Ziekte van Hodgkin, leukemie, hypercholesterolemie, diabetes type I en II, overgewicht en obesitas en astma bij oudere kinderen en volwassenen. Verder onderzoek hieromtrent wordt nog gevoerd.

        Moedermelk bevat antistoffen of immunoglobulines (Ig) A, G, M, D en E. Het zijn in de eerste plaats deze immunoglobulines waarop de beschermende werking van moedermelk gebaseerd is. De concentratie ligt in moedermelk weliswaar lager dan in colostrum, maar doordat de baby grotere hoeveelheden drinkt blijft de dagelijkse hoeveelheid antistoffen ongeveer constant doorheen de hele lactatieperiode. Vooral immunoglobuline A, en specifieker het secretorische IgA is overvloedig aanwezig in moedermelk. sIgA wordt gevormd en afgescheiden in de borst. Het sIgA in moedermelk beschermt het volledige darmstelsel van de baby en fungeert als een eerste verdedigingslinie in het lichaam van de baby waardoor ziektekiemen niet kunnen binnendringen. Daarnaast richt de bescherming van IgA zich rechtstreeks op een aantal virussen en bacteriën die luchtweginfecties en gastrointestinale infecties veroorzaken. Daarnaast spelen lysozomen en cellulaire componenten zoals macrofagen en lymfocyten eveneens een rol in de bescherming die moedermelk biedt.
    • Welke contra-indicaties zijn er voor borstvoeding?
      • Hoewel borstvoeding een unieke samenstelling heeft en normaliter de optimale voeding voor baby’s is, zijn er een beperkt aantal situaties waarbij het in het belang van het kind nodig is om af te zien van borstvoeding. Dit geldt wanneer:
        • de baby galactosemie heeft en dus geen enkele melk kan verdragen
        • de moeder aan actieve en onbehandelde tuberculose lijdt
        • de moeder drager is van het humaan T-cel lymfotroop virus type I of II
        • de moeder blootgestaan heeft aan diagnostische of therapeutische radioactieve straling en dit zolang de radioactiviteit in de moedermelk aanwezig is
        • de moeder behandeld wordt met antimetabolieten of chemotherapie
        • de moeder bepaalde medicatie of drugs gebruikt
        • de moeder herpes heeft op of dichtbij de tepel of areola (er kan dan wel gevoed worden aan de andere borst + wondje afdekken met pleister en evt. met tepelhoedje voeden indien de baby zo het wondje niet raakt)
        • de moeder HIV-positief is (in de zich ontwikkelende landen wegen de voordelen van borstvoeding in de eerste zes maanden mogelijk op tegen het risico van HIV-besmetting bij de baby (afhankelijk van de specifieke situatie van het gezin).
      • Daarnaast zijn er een aantal situaties die vaak als contra-indicatie worden beschouwd, maar in werkelijkheid wel verenigbaar zijn met borstvoeding:
        • aanwezigheid van het Hepatitis B antigen in het bloed van de moeder
        • Hepatitis C bij de moeder
        • epilepsie bij de moeder
        • blootstelling van de moeder aan laaggedoseerde chemische agentia
        • cytomegalievirus bij de moeder (te evalueren indien het gaat om een extreem vroeggeboren baby)
        • roken vormt geen contra-indicatie voor borstvoeding, al dient roken ontmoedigd te worden
        • hyperbilirubinemie of geelzucht bij de baby.
  • Het belang van borstvoeding
    • Welke aanbevelingen doet de Wereldgezondheidsorganisatie omtrent borstvoeding?
      • De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en UNICEF doen op basis van uitgebreid wetenschappelijk onderzoek een aantal aanbevelingen in verband met borstvoeding. De Wereldgezondheidsorganisatie erkent dat borstvoeding onmiskenbare fysieke en emotionele gezondheidsvoordelen heeft voor zowel baby als moeder, en stelt:

        ‘Moedermelk is de ideale voeding voor baby’s en staat garant voor een gezonde groei en ontwikkeling van zuigelingen. Borstvoeding geven maakt integraal deel uit van het voortplantingsproces en heeft belangrijke implicaties voor de gezondheid van moeders. Exclusieve borstvoeding is de optimale voeding voor zuigelingen tot de leeftijd van zes maanden. Vanaf dan is het aangeraden dat kinderen naast de bijvoeding moedermelk blijven drinken tot en met het tweede levensjaar of langer, zolang als moeder en kind het wensen’.

        Exclusieve borstvoeding wordt door de Wereldgezondheidsorganisatie gedefinieerd als het enkel drinken van moedermelk via de borst of het drinken van afgekolfde melk. Verder wordt geen enkele andere voeding of drank (ook geen water) gegeven, tenzij vitamine- en mineraalsupplementen of medicatie.
        Daarbij wordt eveneens aanbevolen dat gezonde en voldragen baby’s op vraag worden gevoed en er geen beperkingen in duur en frequentie van het voeden worden opgelegd.
    • Waarom geen andere voeding dan moedermelk introduceren vóór zes maanden?
      • Wanneer er andere voeding dan moedermelk wordt geïntroduceerd vóór de leeftijd van zes maanden ontstaat er een tekort aan beschermende immunologische factoren die aanwezig zijn in moedermelk. Hierdoor wordt het risico op aanbreng van contaminanten en allergenen verhoogd. Bovendien is het spijsverteringsstelsel van de baby pas op zes maanden voldoende matuur om andere voedingsstoffen dan moedermelk te verwerken.
    • Wat zijn de voordelen van borstvoeding voor de baby?
      • Moedermelk is een uniek en levend product dat volledig is aangepast aan de specifieke behoeften van de baby op elke leeftijd. Exclusieve borstvoeding is de norm waarmee alle voedingsalternatieven vergeleken zouden moeten worden wat betreft groei, gezondheid en ontwikkeling, zowel op korte als lange termijn. Moedermelk bevat veel meer dan enkel voedingsstoffen. Het beschermt de baby tot hij zichzelf kan beschermen. In moedermelk werden namelijk meer dan 200 componenten geïdentificeerd die niet enkel een rol spelen in de voeding van de baby maar ook in de algemene ontwikkeling, in de groei, en in de ontwikkeling van het immuunsysteem en het zenuwstelsel.
        Moedermelk draagt enerzijds bij tot de ontwikkeling van het nog immature immuunsysteem, anderzijds beschermt moedermelk actief tegen ziekte. Volgens The American Academy of Pediatrics (AAP) biedt onderzoek sterke evidentie dat (vooral) de antistoffen of immunoglobulines in zowel het colostrum als de rijpe moedermelk baby’s beschermen tegen volgende infectieziekten:
        • bacteriële meningitis
        • diaree
        • luchtweginfecties
        • necrotiserende enterocolitis
        • middenoorontsteking
        • urinaire infecties
      • Daarnaast wijst de AAP erop dat sommige studies een verlaagde incidentie aantonen van:
        • wiegendood tijdens het eerste levensjaar
        • diabetes type I en II
        • leukemie
        • lymfoma
        • Ziekte van Hodgkin
        • astma bij oudere kinderen en volwassenen
        • hypercholesterolemie
        • overgewicht en obesitas.
        • Verder onderzoek hieromtrent is echter aangewezen.
      • Borstvoeding speelt verder een belangrijke rol in het beschermen tegen allergie. Vastgesteld wordt dat een kind met aanleg voor allergie minder snel klachten zal hebben indien er de eerste zes maanden uitsluitend borstvoeding wordt gegeven. Ook zullen de allergische symptomen minder ernstig zijn.
    • Wat zijn de voordelen van borstvoeding voor de moeder?
      • Naast voordelen voor de baby heeft borstvoeding ook belangrijke voordelen voor de moeder, en dit zowel op het vlak van gezondheid als op praktisch vlak.

        Gezondheidsvoordelen
        • minder bloedverlies
        • baarmoeder krimpt sneller in tot haar normale grootte
        • minder vaak ijzertekort
        • moeder komt sneller terug op haar gewicht van voor de zwangerschap
        • borstvoeding vormt tijdelijk een natuurlijke anticonceptie indien aan een aantal strikte voorwaarden is voldaan
        • moeders met zwangerschapsdiabetes hebben een lager risico op het ontwikkelen van diabetes type II wanneer ze borstvoeding geven
        • moeders met diabetes hebben een lagere insulinebehoefte
        • verminderd risico op borstkanker, ovariumkanker en mogelijk ook voor osteoporose (verder onderzoek vereist)
      • Praktische voordelen
        • moedermelk is steeds klaar en op temperatuur
        • geen werk om flesjes te steriliseren en klaar te maken
        • geen uitgaven voor kunstvoeding
        • minder medische kosten dankzij de gezondheidsvoordelen van borstvoeding
        • minder ziekteverzuim door de moeder omwille van zieke kinderen
        • minder afval.
    • Wat zijn de verschillen tussen borstvoeding en kunstvoeding?
      • Kunstvoeding biedt moeders een alternatief wanneer borstvoeding niet mogelijk is, maar kunstvoeding zal borstvoeding wellicht nooit evenaren. In het onderzoek naar de samenstelling en de effecten van moedermelk worden nog steeds nieuwe ontdekkingen gedaan. Zo heeft men recent meer ontdekt over de bijzondere vetzuren in moedermelk die de hersenontwikkeling en het gezichtsvermogen bevorderen.

        Aan het geven van kunstvoeding zijn zekere risico’s verbondalen. Kinderen die kunstvoeding krijgen verschillen biologisch van kinderen die borstvoeding krijgen. Deze kinderen lopen een groter risico op ziekte dan borstgevoede kinderen: enerzijds krijgen ze niet de antistoffen mee die specifiek zijn voor moedermelk, anderzijds is er bij kunstvoeding ook een aanzienlijk risico op contaminatie van de melk.
        Verder vertoont hun bloed een ander patroon van aminozuren, is de samenstelling van hun lichaamsvet anders en worden ze blootgesteld aan een enorme verscheidenheid aan koolhydraten. De osmolariteit van hun plasma is hoger en ze hebben ook een hoger ureum- en elektrolytengehalte. De darmen van kinderen die kunstvoeding krijgen worden gekoloniseerd door mogelijk invasieve microflora terwijl ze blootgesteld worden aan vreemde eiwitten die mogelijk een immunologische reactie uitlokken.
  • Te veel of te weinig melk
    • Wat is het belang van voeden op vraag?
      • Voeden op vraag impliceert dat er geen beperkingen zijn in frequentie en duur van de voedingen. Onderzoek toonde aan dat de voordelen van voeden op vraag velerlei zijn. Er wordt bij de baby minder gewichtsverlies tijdens de eerste week postpartum vastgesteld, en voeden op vraag blijkt samen te hangen met een langere borstvoedingsduur. Frequent voeden leidt verder tot minder hyperbilirubinemie in de vroege neonatale periode, helpt stuwing te voorkomen en zorgt voor een vlottere stabilisatie van de borstvoeding.
        Voor baby’s die ouder dan 4 à 6 weken zijn en die zeer frequent niet-nutritief willen zuigen kan er eventueel wel aan gedacht worden om een andere manier van zuigen aan te bieden, indien de moeder dit wenst. Hiervoor is het belangrijk om de ouders het verschil uit te leggen tussen nutritief en niet-nutritief zuigen (zie vraag ‘Baby aan de borst > Welke verschillende zuigpatronen bestaan er’)
    • Hoe herken ik overvloedige melkproductie?
      • Mogelijke kenmerken bij de moeder:
        • blijvend gespannen en pijnlijke borsten
        • verstopte melkkanaaltjes
        • mastitis of borstontsteking
        • lekken van de borsten tussen de voedingen
        • pijnlijke toeschietreflex.
      • Mogelijke kenmerken bij de baby:
        • onrust tijdens en na de voeding
        • verslikken
        • veel huilen
        • melk teruggeven
        • weigeren van de borst bij een te sterke toeschietreflex
        • zeer grote of juist kleine gewichtstoename.
        • hikken tijdens en na de voeding
        • zeer frequente en korte voedingen waardoor de baby enkel voormelk krijgt met als gevolg winderigheid, en soms overvloedige, schuimende en zelfs groene ontlasting.
    • Wat te doen bij overvloedige melkproductie?
      • Bedoeling is om de hoeveelheid melk die wordt aangemaakt te verminderen, zodanig dat aanbod en vraag opnieuw met mekaar overeenstemmen. Op deze manier kan mastitis voorkomen worden en de baby opnieuw tevreden aan de borst drinken.
        • Eén borst per voeding: zorgt ervoor dat de borst goed leeggedronken wordt en de baby de vetrijke achtermelk krijgt waardoor een teveel aan lactose wordt vermeden. Wanneer de baby zeer vaak wil drinken is het raadzaam om binnen een tijdspanne van 3 à 4 uur telkens opnieuw dezelfde borst aan te bieden, en dit tijdelijk gedurende 2 à 3 dagen. Nadien kan dit aangepast worden aan de individuele voorkeur en aan de melkproductie (bij sommige vrouwen is de melkproductie na drie dagen blokvoeden ernstig afgenomen en is stimulatie aan beide borsten weer nodig om de productie op peil te houden).
        • Bij stuwing in de andere borst kunnen koude koolbladeren (of compressen) de pijn verlichten: men spoelt een koolblad van witte of groene kool af onder de kraan, verwijdert de harde nerven, en kneust het blad (bijvoorbeeld met een deegrol). Het toepassen van koolbladeren op de borst werkt enerzijds ontzwellend, maar zorgt er anderzijds ook voor dat de melkproductie wordt afgeremd. Er wordt aangeraden om dit niet meer dan drie keer per dag gedurende twintig minuten te doen. Vaak is het ook nodig om wat melk af te kolven, maar niet meer dan nodig om het ongemak van de stuwing weg te nemen. Geleidelijk aan zullen de borsten zich aanpassen aan het nieuwe vraag- en aanbodsysteem en zal de melkproductie verminderen.
        • Overvloedige melkproductie gaat vaak gepaard met een krachtige toeschietreflex. Indien de baby hierdoor de borst weigert kan de moeder met de hand wat melk afkolven tot de melk toeschiet en pas na de hevige toeschietreflex de baby aanleggen. Een andere mogelijkheid is om de baby aan te leggen, maar weg te nemen zodra hij last heeft van de hevige toeschietreflex. Ook een andere aanleghouding kan helpen, bv. in rugligging. De baby in verticale positie voeden maakt dat hij zelf meer controle heeft over de melkvloed.
    • Hoe herken ik een ontoereikende melkproductie?
      • Om vast te stellen of de melkproductie toereikend is, is het vooral belangrijk om te letten op het aantal natte luiers en het gewicht van de baby. Daarnaast kunnen ook andere tekens bij de baby of de moeder wijzen op een ontoereikende melkproductie.

        Urine en stoelgang
        Wanneer de melkproductie goed op gang komt, vanaf de derde of vierde dag na de bevalling, hoort de baby zes tot acht natte katoenen luiers of vijf tot zes wegwerpluiers per dag te hebben. Na zes weken zal de blaas van de baby in omvang toenemen en in staat zijn om meer urine te bevatten. Hierdoor kan het aantal natte katoenen luiers afnemen tot vijf of zes per dag, en het aantal wegwerpluiers tot vier of vijf per dag, maar ze zullen per keer meer urine bevatten. Het is hierbij steeds belangrijk dat de urine niet sterk geconcentreerd of sterk ruikend is.

        Eén à twee dagen nadat de melkproductie op gang gekomen is en het meconium is uitgescheiden, zal de ontlasting van een borstgevoede baby vormeloos en geelachtig van kleur zijn, met een milde niet onaangename geur. De meeste baby’s zullen zolang ze uitsluitend borstvoeding krijgen twee tot vijf keer ontlasting hebben per etmaal. Wanneer de baby tijdens de eerste vier tot zes weken minder dan twee keer per etmaal ontlasting heeft is het zinvol om de frequentie en de duur van de borstvoeding na te gaan en het aantal natte luiers te controleren. Hoewel dit niet per definitie problematisch is, kan het wijzen op onvoldoende melkproductie. Ook wanneer er slechts weinig ontlasting is, de ontlasting onregelmatig, droog of hard is, zijn er mogelijk problemen met de melkproductie. Na de leeftijd van vier tot zes weken is de stoelgangfrequentie bij borstgevoede kinderen sterk wisselend. Dit kan variëren van zeven keer per dag tot één keer per week. Op voorwaarde dat de stoelgang zacht blijft wordt elke frequentie binnen deze variatie als normaal beschouwd.

        Gewicht
        Verder kan het gewicht van de baby aangeven of de baby voldoende voeding krijgt. De melkproductie is ontoereikend wanneer:
        • de baby na de geboorte meer dan 10% van zijn geboortegewicht verliest
        • er geen terugkeer naar het geboortegewicht is op de leeftijd van 2 weken
        • de baby minder dan gemiddeld 20 g/dag bijkomt nadat hij zijn geboortegewicht heeft herwonnen.
      • In deze gevallen is een grondige evaluatie op medisch en borstvoedingsvlak nodig, aangezien voedings- of gewichtsproblemen symptomen van ziekte kunnen zijn.

        In het algemeen is het geboortegewicht van de baby op de leeftijd van vijf maanden verdubbeld, op de leeftijd van één jaar verdrievoudigd en op de leeftijd van twee jaar verviervoudigd. De groei van kinderen die borstvoeding krijgen verschilt echter van de groei van kinderen die kunstvoeding krijgen, en verloopt meer stapsgewijs. Terwijl de gewichtstoename van borstgevoede en kunstgevoede baby’s tijdens de eerste maanden gelijkloopt, komen kunstgevoede baby’s rond de leeftijd van drie à vier maanden meer bij dan borstgevoede baby’s. Deze verschillen in gewichtstoename vormen een belangrijk gegeven, aangezien de groeicurves voor kinderen standaard gebaseerd zijn op de groei van kinderen die kunstvoeding krijgen, en men op basis hiervan bijgevolg niet te snel mag concluderen dat borstgevoede kinderen te weinig bijkomen en de borstvoeding ontoereikend zou zijn.

        Andere tekenen
        Volgende tekenen bij de baby kunnen er eveneens op wijzen dat hij te weinig moedermelk krijgt:
        • de baby is niet tevreden of verzadigd na de voeding
        • de baby huilt veel, vaak zwakjes of hoog en schel
        • de baby wil vaak en lang drinken
        • de baby slaapt lang door
        • de baby is futloos
        • de baby weigert de borst
        • de baby is onrustig wanneer hij wordt neergelegd.
      • Deze gedragingen kunnen ook andere oorzaken hebben. Mogelijk maakt de baby een groeispurt door, is de smaak van de melk niet aangenaam, heeft de baby krampen of gaat het om een baby die van nature uit veel contact wil, of is er een medische oorzaak.
    • Wat zijn mogelijke oorzaken van ontoereikende melkproductie?
      • De oorzaken van onvoldoende melkproductie kunnen zich situeren op vier verschillende niveaus.
      • Fysieke oorzaken bij de moeder
        Allereerst is het van belang om na te gaan of er bij de moeder fysieke oorzaken zijn. Hierbij denken we aan:
        • hormonale onderdrukking van de lactatie
        • het achterblijven van placentaresten (waardoor het progesteron- en oestrogeengehalte hoog blijft)
        • schildklierproblemen
        • ernstige acute of chronische ziekte
        • zwangerschap, anticonceptie
        • onvoldoende ontwikkeling van het borstklierweefsel
        • ingetrokken tepels, tepelpijn
        • borstchirurgie, borsttrauma
        • anemie
        • gebruik van bepaalde medicatie, roken, alcohol of drugs.
      • Psychologische oorzaken bij de moeder
        Naast fysieke oorzaken bij de moeder, dient ook te worden nagegaan of psychologische factoren de melkproductie kunnen remmen, bijvoorbeeld:
        • onvoldoende zelfvertrouwen
        • stress, bezorgdheid
        • vermoeidheid
        • negatieve gevoelens tegenover de baby
        • borstvoeding beu.
        • negatieve gevoelens t.o.v. het aanraken van de borsten (vb. bij vroeger seksueel misbruik).
      • Oorzaken bij de baby
        De oorzaken voor onvoldoende melkproductie kunnen zich ook bij de baby situeren. Het kan zowel om zijn gedrag gaan, als om een ziekte of aandoening van de baby.
        Gedrag:
        • afkeer van de borst, wegtrekken, orale afkeer door aspiratie of intubatie
        • slaperige baby
        • insufficiënt drinken
        • zuigverwarring.
        • Ziekte/aandoening:
        • gastro-oesophageale reflux
        • voedselallergie of –intolerantie
        • ademhalingsproblemen
        • prematuriteit
        • neurologische problemen
        • te kort tongriempje
        • andere aangeboren afwijkingen.
      • Oorzaken op het vlak van borstvoedingsmanagement
        Vaak is onvoldoende melkproductie echter te wijten aan een onaangepast borstvoedingsmanagement, zoals:
        • late start van de borstvoeding: voor het verdere verloop van de borstvoeding is het belangrijk om de baby binnen het uur na de geboorte aan te leggen
        • te weinig voedingen, te korte voedingen en geen nachtvoedingen: voldoende vaak en voldoende lang voeden is van belang om het melkproductiesysteem van vraag en aanbod op peil te houden.
        • inefficiënt zuigen, aanlegproblemen: wanneer de baby voldoende vaak wordt aangelegd, maar toch te weinig melk krijgt kan het zijn dat hij niet efficiënt zuigt of er aanlegproblemen zijn.
        • fopspenen, tepelhoedjes en flesvoeding: door het geven van fopspenen en flesvoeding kan enerzijds zuigverwarring ontstaan, en neemt anderzijds de vraag naar borstvoeding af waardoor de melkproductie van de moeder zal afnemen.
    • Wat te doen bij ontoereikende melkproductie?
      • In geval van onvoldoende melkproductie is het zaak om na te gaan wat de oorzaak hiervoor is, zodat het borstvoedingsmanagement kan afgestemd worden op de oorzaak.
        Allereerst is het nodig om een voeding te observeren, met aandacht voor de conditie van de borsten en de tepels, de houding van baby en moeder, het aanhappen van de baby, het slikken van de baby, en de manier waarop baby en moeder op elkaar reageren. Vervolgens dient te worden nagegaan hoe frequent er gevoed wordt, hoeveel natte luiers de baby heeft, hoeveel stoelgangluiers er zijn en de aard ervan, en of de baby voldoende bijkomt.

        Na de anamnese en het observeren van de borstvoeding zijn volgende acties aangewezen om de melkproductie te verhogen (aangepast aan de specifieke probleemsituatie):
        - indien nodig het aanhappen en drinken van de baby verbeteren
        - de frequentie van de voedingen of het afkolven verhogen
        - geen tijdslimiet, maar de baby de kans geven om voldoende lang aan de borst te drinken
        - bij elke borstvoeding aan beide borsten aanleggen
        - borstmassage, borstcompressie
        - wisselvoeden in geval van een slaperige of premature baby
        - vermijden van het gebruik van flessen, spenen en tepelhoedjes
        - gezonde voeding, voldoende drinken en rust voor de moeder.

        Indien de productie ook na aangepast borstvoedingsmanagement laag blijft is het aangewezen om na de borstvoeding of tussen de voedingen nog extra af te kolven om de melkproductie te stimuleren, of gebruik te maken van medicatie die de melkproductie stimuleert.
    • Hoe kan ontoereikende melkproductie voorkomen worden?
      • Werken aan de preventie van onvoldoende melkproductie kan op verschillende manieren. Allereerst is het van belang om ouders te stimuleren om prenatale lessen over borstvoeding te volgen, zodat ze voldoende en correct geïnformeerd zijn. Vervolgens kan een prenataal nazicht van de borsten zinvol zijn. Ten derde is het van belang dat de borstvoedingsbegeleiding gebeurt door een degelijk getraind en gemotiveerd team, waarbij de therapeutische aanpak is afgestemd op de oorzaak. Tot slot kan het ‘borstvoedingsbilan’, een instrument ter detectie van moeders die een verhoogde kans hebben om vroegtijdig te stoppen met borstvoeding, eveneens een bijdrage leveren tot het opsporen van moeders die mogelijk te maken krijgen met onvoldoende melkproductie.

        Ter preventie van onvoldoende melkproductie is het eveneens van belang om zicht te hebben op wie extra risico loopt. We onderscheiden een aantal risicofactoren bij de baby, en een aantal risicofactoren bij de moeder.

      • Bij de baby:
        • prematuriteit
        • groeiachterstand in de baarmoeder
        • langdurig geel zien
        • problemen met de coördinatie van zuigen, slikken en ademhalen, vaak door een aangeboren afwijking
        • afwijkingen in het mond- en keelgebied
        • baby’s die de eerste dagen gescheiden waren van de moeder
        • onrustige baby
        • meerlingen.
      • Bij de moeder:
        • onvoldoende geïnformeerd
        • late keuze voor borstvoeding
        • duidelijk voornemen om slechts beperkt borstvoeding te geven
        • weinig zelfvertrouwen
        • gevoelig voor privacy bij het borstvoeden
        • weinig ondersteuning van partner, en ruimere omgeving
        • slechte gezondheid en ziekte tijdens de borstvoeding.
    • Kan de borstvoeding opnieuw worden opgestart wanneer de moeder reeds gestopt was?
      • Ja. Dit wordt ‘relactatie’ genoemd.

        We spreken van relactatie wanneer een moeder die reeds gestopt was met borstvoeding, nooit met borstvoeding gestart is (al dan niet door lactatieremmers) of waarvan de melkproductie zo goed als onbestaande is, opnieuw borstvoeding wil geven. Vaak berust de beslissing hiertoe op een emotionele basis. Ook is het mogelijk dat men de borstvoeding opnieuw wil opstarten omwille van ernstige allergieën voor beschikbare kunstvoeding. In deze situaties kan de melkproductie opnieuw worden opgevoerd.

        Bij relactatie is frequente borststimulatie noodzakelijk omdat het zuigen van de baby de productie stimuleert. Het is in eerste instantie dan ook nodig om de baby opnieuw goed aan de borst te krijgen. Hierbij is de periode waarin de borstvoeding gestopt werd van belang en is het de de vraag of de baby (opnieuw) de borst accepteert. Hoe jonger het kind, hoe groter de kans dat de baby aan de borst zal willen zuigen. Als de baby niet aan de borst wil drinken kan de moeder frequent afkolven om de melkproductie terug op gang te brengen.

        Mits intensieve begeleiding, is ondersteuning door middel van medicatie vaak niet nodig. Vooraleer de baby aan te leggen kan het zinvol zijn om de eerste honger te stillen met wat bijvoeding, bijvoorbeeld uit een kopje, zodat de baby niet ongeduldig wordt aan de borst. Pas wanneer duidelijk wordt dat de melkproductie voldoende is, o.a. door het duidelijk horen slikken van de baby of het voelen van een toeschietreflex door de moeder, kan de bijvoeding geleidelijk worden afgebouwd. Bij relactatie kan het gebruik van een borstvoedingshulpset een goed hulpmiddel zijn
    • Is het mogelijk om borstvoeding te geven bij adoptie en hoe gaat dit in zijn werk?
      • Ouders die een baby adopteren kunnen er eveneens voor kiezen om hun baby borstvoeding te geven. De motivatie hiervoor kan tweeërlei zijn; enerzijds spelen de gezondheidsvoordelen van borstvoeding een rol, maar anderzijds hecht men vaak vooral belang aan de intieme band tussen moeder en kind die op deze manier wordt versterkt. Het geven van borstvoeding aan een adoptiebaby komt tegenwoordig frequenter voor en raakt stilaan beter aanvaard.

        In deze situatie wordt de melkproductie niet op gang gebracht of gestimuleerd door de zwangerschapshormonen. Het stimuleren van de endogene hormonen oxytocine en prolactine kan gebeuren door het zuigen van het kind, kolven met de hand of met een afkolftoestel en het stimuleren van de tepels. De adoptiemoeder kan reeds een aantal weken voor de komst van de baby starten met kolven en gedurende de laatste week (weken) kolft ze net zo vaak als de baby ongeveer zal drinken (kleine baby elke 2 à 3 uur - ook s’ nachts -, grotere baby om de 4 uur). Het toedienen van exogene hormonen zoals oestrogenen en progesteronen in deze situatie is wetenschappelijk nog niet voldoende onderzocht. Vaak wordt gebruikt gemaakt van lactatiestimulerende middelen, bijvoorbeeld domperidone.

        Of het opstarten van borstvoeding bij een adoptiebaby succesvol is hangt verder in grote mate af van de bereidheid van de baby om aan de borst te drinken. Vermits de moeder niet de voordelen heeft van de voorbereiding die de borsten tijdens de zwangerschap ondergaan, is het op gang brengen van de melkproductie sterk afhankelijk van het goed zuigen van de baby, de frequentie van aanleggen, de kracht van het zuigen en de duur van iedere aanlegperiode. Ook leeftijd speelt een belangrijke rol: bij zeer jonge baby’s is de kans groter dat de baby de borst zal aanvaarden dan bij baby’s die al wat ouder zijn.
  • Bijvoeding
    • Welke nadelen zijn er verbonden aan het geven van bijvoeding?
      • Over het algemeen is het geven van bijvoeding niet aangewezen. Aan bijvoeden zijn immers belangrijke nadelen verbonden. Zo wordt o.a. het systeem van vraag en aanbod verstoord waardoor de melkproductie nog verder afneemt, kunnen er aanlegproblemen ontstaan, is er een nadelige invloed voor de gezondheid, een verhoogde kans op infecties, worden de nieren onnodig belast en is uit wetenschappelijk onderzoek gebleken dat de lengte van de borstvoedingsperiode negatief wordt beïnvloed door bij te voeden tijdens de kraamperiode.
    • Hoe kunnen de nadelen beperkt worden wanneer bijvoeding geven noodzakelijk is?
      • Het is belangrijk dat een (tijdelijke) aanvulling deskundig wordt begeleid zodat de nadelen van bijvoeden worden beperkt en de moeder daarna indien gewenst opnieuw kan overschakelen op volledige borstvoeding. Het is nodig om de baby naast de bijvoeding te blijven aanleggen, zowel voor het op peil houden of stimuleren van de melkproductie, als voor het onderhouden van zijn drinktechniek aan de borst. Ook wanneer de melkproductie onvoldoende is om de baby volledig te voeden is de waarde van moedermelk groot. Hoe groot of klein de hoeveelheid moedermelk ook is, moedermelk bevat dagelijks immers dezelfde hoeveelheid IgA.
      • Wanneer het nodig is om de baby bij te voeden kan men – in volgorde van voorkeur – volgende bijvoeding geven:
        • afgekolfde moedermelk
        • donormoedermelk
        • kunstvoeding.
      • In België is het echter niet gangbaar om donormoedermelk te geven, aangezien er geen melkbanken zijn.
    • Hoe kan bijvoeding best gegeven worden?
      • Er zijn verschillende mogelijkheden om bijvoeding te geven aan de baby. Het gebruik van een zuigfles in de eerste levensweken wordt door sommige bronnen afgeraden aangezien dit voor zuigverwarring kan zorgen en de baby hierna mogelijk niet meer of moeilijk aan de borst zal willen drinken. De keuze van de techniek is afhankelijk van de situatie van moeder en kind. Bij elk van deze voedingsmethoden is het uiteraard van belang om steeds hygiënisch te werk te gaan.

        Voeden met een kopje (cupfeeding)
        Het voeden met een kopje is vaak een geschikte techniek en wordt na enige oefening een praktische en aangename voedingsmethode die weinig energie van de baby vraagt. Dit wordt ook vaak gebruikt bij premature baby’s zodat langdurige sondevoeding vermeden kan worden. Bovendien gaan er op deze manier minder vetten verloren dan wanneer de baby via sonde wordt gevoed, en worden verder de tong- en mondspieren van de baby geoefend alsook de zoek- en slikreflex gestimuleerd. Ook een baby die omwille van een neurologische aandoening niet in staat is om te zuigen kan op deze manier gevoed worden, omdat het wel lukt om de voeding op te likken.

        Nadelen van voeden met een kopje zijn dat de baby er erg gehecht aan kan worden wanneer hij daarnaast niet regelmatig wordt aangelegd, dat niet wordt voldaan aan de zuigbehoefte van de baby, en dat men zorgvuldig te werk moet gaan en de melk niet zomaar in het mondje mag gegoten worden.

        Bij pasgeboren baby’s die zich gemakkelijk verslikken is het niet aangewezen om te voeden met een kopje – bijvoorbeeld bij een slechte braakreflex, algemene futloosheid of belangrijke neurologische aandoeningen.

        Voeden met een kopje gebeurt met behulp van een 60cc maatbekertje, of een ander glas of kopje met een gladde en dunne rand. Om te vermijden dat de baby het kopje omgooit kan het nodig zijn om zijn handjes in een omslagdoek te slaan. Men houdt de baby rechtop op schoot en laat het kopje rusten op de onderlip van de baby waarna men het kopje schuin houdt tot de melk het mondje van de baby raakt. Het is niet de bedoeling om de melk in het mondje van de baby te gieten, de baby zal in eerste instantie de melk met zijn tong naar binnen likken. Later zal hij meer gaan zuigen of slurpen. De baby bepaalt zelf het ritme en de hoeveelheid voeding. Dit is zeker belangrijk om verslikking te voorkomen. Wanneer de baby even stopt met drinken kan men het kopje gewoon tegen de mond laten rusten, en niet weghalen.

        Vingervoeden
        Vingervoeden kan zowel gebruikt worden om vast te stellen hoe de baby zuigt en slikt, als om bijvoeding te geven. Al wordt het systematisch bijvoeden op deze manier niet aanbevolen omdat de prikkel van de vinger net zoals de speen kan zorgen voor zuigverwarring.

        Bij vingervoeden wordt het ene uiteinde van een sondeslangetje in een kopje of flesje gevuld met voeding gehangen, terwijl het andere uiteinde wordt vastgemaakt aan de vinger. Nadat men de vinger met de nagel op de tong en de vingertop tegen het gehemelte legt, trekt de baby meestal de vinger naar binnen en begint te zuigen.

        Spuitje
        Het gebruik van een spuitje of druppelaar kan een goede oplossing zijn wanneer men kleine hoeveelheden voeding wil geven. De baby wordt rechtop gehouden en het is nodig om op te passen voor verslikken. Het is de bedoeling om eerst enkele druppels voeding op de tong te laten proeven en te wachten tot de baby begint te zuigen. Daarna kan men terwijl de baby zuigt, beetje bij beetje, wat voeding aan de zijkant van de wang laten lopen. Wanneer de baby slikt is het nodig om even te pauzeren.

        Borstvoedingshulpset
        In vele gevallen wordt de voorkeur gegeven aan deze voedingsmethode. Op deze manier wordt immers de melkproductie van de moeder gestimuleerd én kan de baby bijvoeding krijgen zonder gewoon te raken aan een speen. Het gebruik van een borstvoedingshulpset is aangewezen in volgende situaties:
        • voeden van een adoptiebaby
        • bij langdurige bijvoeding (bijvoorbeeld in geval van hartafwijking of Syndroom van Down)
        • in geval van relactatie
        • bij zuigproblemen (door neurologische afwijkingen of bij zuigverwarring).
      • Een belangrijke voorwaarde om een borstvoedingshulpset te gebruiken is dat de baby een adequaat zuig- en slikpatroon heeft.

        De hulpset bestaat uit een flesje waarin de voeding wordt gedaan, en twee slangetjes die elk aan een borst worden vastgeplakt. Hierbij is het van belang dat het uiteinde van het slangetje iets voorbij de tepel en onder de bovenlip van de baby komt. Een goede begeleiding is nodig om ervoor te zorgen dat de baby de borst ver genoeg in zijn mondje neemt en niet alleen uit het slangetje zuigt.
        De slangetjes zijn heel dun en moeten na gebruik onmiddellijk goed doorgespoeld worden (eerst met koud water en nadien met warm water) om indrogen van de melk te voorkomen.
  • Baby aan de borst
    • Welke orale reflexen spelen een rol bij het zuigen aan de borst?
      • Zowel de zoekreflex, de zuigreflex als de slikreflex zijn essentieel voor het adequaat drinken aan de borst. Onderstaande figuur biedt een kort overzicht.

        Figuur: De Reede, A. (2003). Begeleiding bij borstvoeding. Wijk bij Duurstede en Krimpen aan de Lek: Vereniging Borstvoeding Natuurlijk en Stichting Zorg voor Borstvoeding.
    • Hoe verloopt het zuigen aan de borst?
      • - De tepel, areola en het borstweefsel worden diep in de mond genomen. De lippen krullen naar buiten omheen de borst.
        - Het topje van de tong wordt achter de onderlip en over de onderste tandenboog geplaatst, terwijl de rest van de tong de areola omvat.
        - Tijdens het voeden wordt de tepel door de baby uitgerokken tot een tuitje, totdat de tepel reikt tot aan de overgang van het zachte en het harde verhemelte.
        - De tong wordt door de kaak van de baby naar boven gebracht en drukt de areola tegen de bovenste tandenboog.
        - De lippen, bovenste tandenboog en de tong zorgen samen voor een vacuüm.
        - Vervolgens maakt de tong golvende bewegingen (zie figuur). De kaak wordt naar beneden gebracht en wanneer het achterste deel van de tong daalt, ontstaat een negatieve druk in de mond waardoor de melkkanalen worden geopend. Wanneer er melk in de mond komt, stimuleert dit de receptoren die de slikreflex inzetten.


        Figuur:Riordan, J. (2005). Breastfeeding and Human Lactation. Massachusetts:Jones and Bartlett Publishers.
    • Wat te doen bij een te kort tongriempje?
      • Wanneer het tongriempje te kort is om de tong vrij te laten bewegen, kan dit problemen opleveren om goed te zuigen. Wanneer de baby niet in staat is om het topje van zijn tong verder dan de rand van de onderste tandenboog te brengen, verloopt de melktransfer minder efficiënt. Het vacuüm dat nodig is om efficiënt te zuigen, wordt snel verbroken. Omdat de baby de tepel en het tepelhof moeilijk kan omvatten, kan hij dan ook de tepel beschadigen wanneer hij drinkt.
        In dit geval is een frenotomie aangewezen. Dit is een chirurgische ingreep waarbij het tongriempje wordt geknipt. Meestal laat dit onmiddellijk na de ingreep al toe dat de baby comfortabel en efficiënt kan drinken aan de borst.
    • Welke verschillende zuigpatronen bestaan er?
      • 1. Stimulatie-zuigpatroon
        Dit is de manier waarop de baby zuigt bij het begin van een voeding. Het gaat om korte, snelle zuigbewegingen, soms tot tweemaal per seconde. Dit is te zien vooraleer de toeschietreflex optreedt.

        2. Nutritief zuigen
        We spreken van nutritief zuigen op het moment dat de melk aanwezig is. De baby zuigt op dit moment ongeveer één keer per seconde. Tijdens de toeschietreflex lijkt de baby ononderbroken te zuigen. Wanneer de melkhoeveelheid vermindert zal de baby tussen het zuigen door regelmatig pauzeren.

        3. Niet-nutritief zuigen
        Onder niet-nutritief zuigen verstaan we het spontane zuigen van de baby zonder dat er iets in de mond van de baby komt (bvb. tijdens de slaap). Dit niet-nutritief zuigen is belangrijk voor de ontwikkeling van het kind, zeker wanneer het om een premature baby gaat. Het stimuleert namelijk de peristaltiek, verbetert de secretie van verteringssappen en maakt dat de baby minder huilt.
    • Op welke manier geeft de baby aan dat hij honger heeft?
      • Voorwaarde om te kunnen voeden op vraag is dat men zich goed bewust is van de hongersignalen die de baby geeft. Er zijn opeenvolgende manieren waarop de baby aangeeft dat hij honger heeft:
        • sabbelen en niet-nutritief zuigen
        • subtiele lichaamsbewegingen, onrust
        • handjes naar de mond brengen en er eventueel op zuigen
        • zoeken, zuigen op eender wat in de buurt van zijn mondje komt
        • bij een oudere baby: zich naar de borst draaien
        • huilen.
      • Huilen is dus een erg laat hongersignaal. Moeders dienen aangemoedigd te worden om reeds eerder te reageren op de signalen van de baby en niet te wachten tot de baby uiteindelijk van streek geraakt en begint te huilen. Een huilende baby kan immers niet drinken maar heeft tijd nodig om getroost en gekalmeerd te worden.
    • Hoe wordt de baby best gepositioneerd aan de borst?
      • Het is belangrijk dat de moeder goed gesteund en comfortabel zit. De baby ligt met zijn lichaam dicht tegen de moeder aan en dient zodanig gepositioneerd te zijn dat hij de ruimte heeft om zijn hoofdje en nek vrij te bewegen.
        Bij het positioneren van de baby aan de borst is het erg belangrijk dat de baby niet wordt vastgehouden ter hoogte van het achterhoofd. Wanneer er druk op het achterhoofd wordt uitgeoefend, de moeder de bewegingen van de baby tracht te controleren, zijn mondje overstimuleert e.d., wordt ingegaan tegen de natuurlijke reflexen van de baby. Dit is beangstigend voor de baby en kan tot borstweigering leiden.
        Volgende aandachtspunten zijn belangrijk bij het positioneren:
        • een stabiele basis door het ondersteunen van de baby’s rug en het plaatsen van een handpalm tussen de schouders
        • hoofdje en nek liggen op één lijn en worden ondersteund door de pols of voorarm van de moeder
        • hoofdje, nek en ruggengraat liggen op één lijn, zodat er symmetrie van de middellijn is en de spieren aan elke zijde van de ruggengraat dezelfde bewegingen ervaren.
    • Welke verschillende voedingshoudingen zijn er mogelijk?
      • 1. Zittend voeden of madonna-houding
        Dit is de meest gebruikte houding en wordt ook als meest comfortabel ervaren. De baby ligt op zijn zij met de voorkant van zijn lichaam helemaal naar de moeder toe (buik tegen buik). Het hoofdje rust op de onderarm van de moeder en de rug wordt door dezelfde onderarm ondersteund.
        Nadeel van deze houding is dat het hoofdje meestal niet stevig ondersteund wordt maar wiebelt op de arm van de moeder, en de moeder hier slechts weinig controle over heeft.

        2. Doorgeschoven in zittende houding voeden
        Dit is een variant op de klassieke zittende houding, waarbij de baby op de rechterarm ligt en de moeder het hoofdje met de rechterarm ondersteunt. Tegelijkertijd biedt de moeder met haar linkerhand de linkerborst aan. De houding kan vooral in het begin zinvol zijn, omdat de moeder hier goed kan bijsturen.

        3. Zittend voeden met de baby onder de arm, bakerhouding of rugbyhouding
        Bij deze houding ligt de baby met zijn beentjes onder de arm van de moeder. Zijn hoofdje rust in de hand van de moeder en de rug wordt ondersteund door haar onderarm. Op het moment dat de baby wil aanhappen brengt de moeder hem dicht naar zich toe. Best kunnen dan kussens gebruikt worden om de baby comfortabel met de onderarm ter hoogte van de borst te houden.
        Dit is een minder bekende houding die erg nuttig kan zijn als de baby het moeilijk heeft om de tepel goed te pakken. De moeder heeft immers een goed zicht op wat er gebeurt en kan de houding van de baby controleren. Ook vrouwen met erg zware borsten, vlakke tepels, stuwing of keizersnede vinden deze houding vaak prettig.

        4. Verticale positie van de baby
        Men kan de baby ook in verticale positie voeden. De baby zit hierbij rechtop met zijn buikje tegen de buik van de moeder en de moeder ondersteunt de rug en het hoofdje. In deze positie heeft de baby zelf meer controle over de melkvloed.

        5. Liggend op de zij voeden
        De moeder ligt op haar zij met een kussen onder het hoofd en in de rug. De baby ligt eveneens op zijn zij met de mond ter hoogte van de tepel. De moeder kan haar onderste arm onder haar hoofd of kussen leggen, en met de andere arm de baby naar zich toe trekken wanneer hij wil aanhappen.
        Deze houding is erg geschikt wanneer de moeder na de bevalling wil vermijden om te zitten op een pijnlijk perineum of om druk op de wonde van de keizersnede uit te oefenen. Bovendien is het op deze manier voor de moeder mogelijk om tijdens het voeden te rusten.

        6. Liggend op de rug voeden
        De moeder ligt op haar rug met wat kussens onder haar hoofd en evt. onder de schouders. De baby ligt op zijn buikje bovenop de moeder of gedeeltelijk op een kussen naast haar. Het mondje van de baby komt ter hoogte van de tepel. De moeder ondersteunt met de binnenkant van haar hand zijn voorhoofd zodat zijn neusje niet in de borst zakt. Het is belangrijk om er op te letten dat de baby met de onderkaak voldoende houvast heeft doordat hij met zijn kin vlak tegen de borst ligt.
    • Hoe is de baby goed aangelegd?
      • Volgende punten wijzen er op dat de baby goed is aangelegd:
        • moeder en baby zien er rustig uit en voelen zich comfortabel
        • de baby neemt de tepel en een aanzienlijk deel van het tepelhof en het borstweefsel in de mond
        • de tepel reikt tot 3 à 5 mm van de plaats waar het zachte en het harde verhemelte op elkaar aansluiten, er wordt geen wrijving op de tepel uitgeoefend
        • het topje van de tong bevindt zich verder dan de onderste tandenboog
        • de tong is trechtervormig waardoor ze de borst kan omvatten
        • de baby houdt de borst stevig vast en deze beweegt niet in en uit het mondje
        • het mondje is wijdopen gesperd en de lippen zijn naar buiten gekruld
        • de onderlip ligt verder van de basis van de tepel dan de bovenlip en deze asymmetrie zorgt voor de optimale positie om de tepel, het tepelhof en het borstweefsel vast te houden
        • de kin ligt dicht tegen de borst aan
        • het neusje kan de borst raken, maar blijft vrij om te ademen
        • het hoofdje en lichaam van de baby liggen in één lijn (vooral bij jonge zuigelingen van belang, bij oudere baby’s niet meer zo noodzakelijk)
        • er is een ritmisch patroon van zuigen-slikken-zuigen-slikken (na de toeschietreflex) met af en toe een pauze, en waarbij de kaakspieren ritmisch bewegen.
    • Wat zijn de mogelijke oorzaken van een zuigstoornis?
      • Bij voldragen en gezonde baby’s zijn volgende oorzaken mogelijk:
        • inbakeren, minimaal huid-op-huidcontact, alles wat ingaat tegen de aangeboren reflexen van de baby om aan te happen en te zuigen
        • pijnstilling van de moeder tijdens de bevalling (bijvoorbeeld epidurale verdoving)
        • druggebruik van de moeder (alcohol, drugs, sedatieven)
        • kunstverlossing (zuignap, verlostang), geboorte-trauma, een snelle geboorte, zuurstoftekort bij de geboorte, sterke vervorming van het hoofdje
        • orale afkeer, bijvoorbeeld door intubatie, inbrengen van een maagsonde, etc.
        • zuigverwarring door het gebruik van een fopspeen of tepelhoedje
        • het temperament van de baby – een onrustige, gefrustreerde en huilende baby zal moeilijk aanhappen en zuigen, net zoals een te rustige, slaperige baby
        • orale infecties zoals spruw of herpes simplex.
      • Daarnaast zijn er een aantal afwijkingen van het gelaat, de mond of de pharynx die adequaat zuigen kunnen belemmeren:
        • een hoog verhemelte: door in utero te duimzuigen of de gewoonte om de tong hoog in het verhemelte te houden en de borst hoog in de orale caviteit te plaatsen waardoor de tepel niet tot bij de overgang tussen het harde en zachte verhemelte reikt
        • vermits de tong een rol speelt bij de vorming van het verhemelte kunnen afwijkingen van de tong (bijv. een te kort tongriempje) resulteren in een afwijkend verhemelte
          een te kort tongriempje maakt dat de baby het topje van zijn tong niet voorbij de onderste tandenboog kan plaatsen, waardoor de melktransfer minder efficiënt verloopt en de borst beschadigd kan worden
        • een gespleten lip of verhemelte
        • macroglossia of grote tong
        • micrognathia of kleine, terugvallend kin.
      • Tot slot zijn er een aantal disfuncties van het zenuwstelsel die het zuigen kunnen bemoeilijken:
        • spierdystrofie
        • cerebral palsy
        • prematuriteit
        • syndroom van Down
        • disfuncties ten gevolge van infecties zoals cytomegalievirus en toxoplasmose.
    • Wat zijn mogelijke oorzaken van borstweigering?
      • Onder borstweigering verstaan we het systematisch weigeren om aan de borst te drinken. Verschillende oorzaken zijn hiervoor mogelijk.
        1. Oorzaken bij de baby
          • Bij de pasgeborene:
            - medicatie tijdens de bevalling
            - traumatische bevalling
            - pijn van een gebroken sleutelbeen
            - orale aversie doordat de baby eerder gedwongen werd om aan de borst te drinken
          • Tepelverwarring door gebruik van:
            - tepelhoedjes
            - fopspenen
            - zuigflessen
            - vingervoeden
          • Baby is onwel:
            - luchtweginfectie
            - pijnlijke keel
            - verkoudheid met verstopte neus
          • Gastro-oesophageale reflux:
            - hierbij associeert de baby voeding met pijn
          • Spruw of wondjes in de mond:
            - hierdoor wordt drinken pijnlijk
          • Angst:
            - door een sterke toeschietreflex en de onmogelijkheid van de baby om de borst los te laten
            - doordat de neus van de baby in de borst wordt gedrukt en hij moeilijk kan ademen
            (beide bovenstaande punten worden veroorzaakt doordat de baby wordt vastgehouden ter hoogte van het achterhoofd en zelf geen controle heeft)
            - door de reactie van de moeder wanneer de baby gebeten heeft
            - Tenslotte is het mogelijk dat de baby de borst weigert omdat hij klaar is om gespeend te worden.
        2. Oorzaken bij de moeder
          • moeder is onwel
          • moeder heeft een trage toeschietreflex of weinig melk
          • de smaak van de melk is veranderd o.i.v. voeding van de moeder, roken van de moeder, excessief sporten van de moeder, medicatie of menstruatie
          • de moeder ruikt anders of ziet er anders uit dan voorheen (bvb. door een ander parfum, deodorant te gebruiken, te zwemmen in chloorwater of een totaal andere haarstijl of bril te dragen)
    • Wat te doen bij borstweigering?
      • Om het probleem te kunnen aanpakken is het allereerst van belang om na te gaan of het werkelijk om borstweigering gaat. Vervolgens is het nodig om de oorzaak te achterhalen zodat een gerichte aanpak mogelijk wordt.

        Bij borstweigering kan de moeder als volgt te werk gaan:
        - stimuleren van de zintuiglijke input door bvb. huid-op-huidcontact zonder te proberen de baby te voeden, met de baby in bad te gaan
        - zorg voor een stabiele positie van de baby bij het aanleggen
        - vermijd om de baby aan de borst te dwingen, dit werkt meestal contraproductief
        - bied de borst aan bij de eerste hongersignalen, bvb. als hij net wakker wordt
        - kalmeer de baby door hem te wiegen, te zingen, te masseren en bied daarna de borst aan
        - voed de baby in verschillende houdingen, bvb. rechtop staand, al wandelend, in een draagdoek, in een donkere kamer zonder afleiding
        - wees alert voor tekenen van uitdroging
        - het is aangewezen dat de moeder afkolft zodat de productie op peil blijft en de baby de afgekolfde melk uit een kopje kan drinken.
  • Tepelproblemen
    • Is tepelpijn bij het opstarten van de borstvoeding normaal?
      • Ja.
        Tijdens de eerste 10 dagen postpartum (met een piek tussen dag 3 en dag 6) kunnen pijnlijke tepels bij het begin van de voeding normaal zijn. Dit is van voorbijgaande aard en heeft te maken met het aanpassen van de tepels aan de borstvoeding. Bij de start van de voeding rekt de tepel uit tot tweemaal zijn lengte en moeders ervaren dit in het begin van de borstvoedingsperiode soms als pijnlijk. Wanneer de pijn echter lang aanhoudt en ernstig is of pas optreedt na een pijnloze periode, en/of de tepels beschadigd zijn, is er sprake van tepelproblemen.
    • Wat zijn mogelijke oorzaken van tepelpijn?
      • Hiervoor zijn verschillende oorzaken mogelijk.

        1. Mechanische pijn of pijn door fysiek trauma van de huid van de tepel/borst
          Wanneer de moeder reeds kort na de geboorte tepelpijn heeft, is dit bijna altijd mechanisch van aard. Deze pijn ontstaat doordat de baby niet goed is aangelegd, inadequaat zuigt of hulpmiddelen zoals een kolf of tepelhoedjes niet correct worden gebruikt. Wanneer de tepel na de voeding afgevlakt, rood, gebarsten, lichter van kleur is of de tepel op een andere manier beschadigd werd, is er wellicht sprake van een mechanisch trauma.
          Om de mechanische pijn te behandelen is het allereerst nodig om de exacte oorzaak te achterhalen. Het aanbrengen van moedermelk op de wondjes helpt deze te genezen. Moedermelk heeft anti-infectieuze eigenschappen en bevat een huidherstellende factor. Verder kunnen warme compressen eventueel verlichting brengen.
        2. Pijn door infectie
          Wanneer de moeder last heeft van tepelpijn, de baby goed is aangelegd en de tepel niet vervormd is na het voeden, kan dit wijzen op een infectie. Meest voorkomend is een schimmelinfectie, bvb. candida albicans. De pijn treedt op tijdens en na de voeding. Ook pijnscheuten diep in de borst die uitstralen naar de borst en de borstkas, en een roze of paarse verkleuring van de tepel is mogelijk.
          Andere mogelijke infecties:
          - een bacteriële infectie, bvb. staph. aureus
          - een virale infectie, bvb. herpes simplex
          - een parasitaire infectie (zeldzaam).
          In geval van infectie is een doorverwijzing naar de geëigende zorgverleners nodig.
        3. Pijn door een dermatologische conditie
          Sommige dermatologische condities kunnen eveneens een oorzaak van tepelpijn zijn:
          - eczeem: atopisch of contactallergie (bvb. allergische reactie op gebruikte tepelcrèmes)
          - psoriasis
          - andere huidaandoeningen.
        4. Pijn door vaatkramp
          Vaatkramp in de tepel (fenomeen van Raynaud) wordt veroorzaakt door onvoldoende doorbloeding van de tepel en gaat gepaard met ernstige pijn. De tepel wordt wit van kleur en soms blauw of rood vooraleer terug zijn normale kleur te krijgen. Dit kan zowel tussen als tijdens de voedingen voorkomen. Vaak gaat het blootstellen van koude aan de kramp vooraf en zal warmte verlichting brengen. Als pijnstilling kan Ibuprofen gebruikt worden. Een behandeling met nifedipine (Adalat®) gedurende twee weken blijkt effectief.
        5. Pijn door een melkblaar
          Een melkblaar is een klein blaasje op de tepel dat bedekt is met een dun laagje huid en gevuld kan zijn met wat melk. Meestal is er een wit of geel puntje zichtbaar en is de uitgang van het melkkanaal afgesloten. Wanneer de melkblaar niet vanzelf verdwijnt kan men de huid van de tepel eerst verzachten met warm water en zachtjes met een warme doek over de tepel wrijven. Ook kan men de blaar evenwijdig met de tepel doorprikken met een steriele naald. Meestal is het na het doorprikken ook nodig om de tepel te masseren en manueel wat melk af te kolven om het verstopte melkkanaal vrij te maken. Warme compressen en pijnstillers kunnen nodig zijn.
    • Hoe kunnen tepelproblemen behandeld worden?
      • Voor het behandelen van tepelproblemen is het in eerste instantie van belang om de oorzaak te achterhalen en deze deskundig aan te pakken. Zelfs wanneer de moeder blijft voeden met de beschadigde borst zal de pijn dan snel verdwijnen. Enkel bij ondraaglijke pijn of wanneer het bloeden of de beschadiging verergert, is het aangewezen om even niet meer met deze borst te voeden. Het blijft dan echter belangrijk om af te kolven zodat de melkproductie op peil blijft.

        Nog al te vaak wordt aangeraden om de duur of frequentie van de voeding te beperken om tepelpijn of –beschadiging te voorkomen. Dit is niet aangewezen. Niet de duur of frequentie van het voeden, maar wel de manier waarop is immers oorzaak van de pijn.

        Er is weinig bewijs dat olies, crèmes of gels die vaak verkocht worden, ervoor zorgen dat tepelwondjes sneller genezen of pijn wordt verlicht. Enkel voor warm water, hydrogel en zuivere lanoline is aangetoond dat ze tepelpijn kunnen verlichten.
    • Hoe kunnen tepelproblemen voorkomen worden?
      • De meest adequate preventiemaatregel is het aanleren van een goede positionering. Huidskleur, haarkleur en prenatale voorbereiding van de tepel zijn niet gerelateerd aan tepelpijn.
    • Kan het gebruik van een tepelhoedje helpen bij tepelproblemen?
      • Over het algemeen is het gebruik van een tepelhoedje afgeraden. In een aantal gevallen kan het echter een tijdelijke oplossing bieden bij ernstige tepelproblemen. Het is dan belangrijk dat moeder en baby hierin deskundig worden begeleid zodat verantwoord en correct gebruik gegarandeerd is.
    • Wat zijn de mogelijke problemen bij het gebruik van een tepelhoedje?
      • Ook bij correct gebruik kunnen zich problemen voordoen. Hierbij denken we vooral aan:
        - een verminderde melktransfer en hieruit volgend een verminderde productie
        - in stand houden van de pijnlijke tepels omdat er onvoldoende borstweefsel in de mond genomen wordt
        - gewenning van de baby aan het tepelhoedje waardoor de baby mogelijk niet meer rechtstreeks aan de borst wil drinken.
        - verergering van kloven of wondjes door het schuren van de tepel in een tepelhoedje dat qua grootte niet aangepast is aan de tepel
        - meer kans op infecties
    • Hoe kan je op een verantwoorde manier een tepelhoedje gebruiken?
      • Om van verantwoord gebruik van een tepelhoedje te spreken is het nodig dat:
        - reeds alle andere mogelijkheden om de baby rechtstreeks aan de borst te laten drinken zijn uitgeput
        - de moeder beslist op basis van correcte informatie over de voor- en nadelen
        - men bij voorkeur kiest voor een dun tepelhoedje uit silicone, in de juiste maat
        - men de moeder uitlegt hoe het tepelhoedje correct te gebruiken en dit observeert
        - de baby even diep aanhapt als wanneer hij rechtstreeks aan de borst drinkt
        - de moeder weet hoe ze kan merken of de baby voldoende melk krijgt en regelmatig wat afkolft (o.w.v. evt. verminderde melktransfer bij tepelhoedje)
        - er afspraken voor opvolging en begeleiding worden gemaakt met de moeder.

        Gebruiksinstructies:
        - draai de basis van het tepelhoedje binnenstebuiten alvorens het aan te brengen
        - bevochtig de randen zodat het beter op zijn plaats blijft
        - breng eventueel wat moedermelk aan op de buitenkant om de baby aan te moedigen
        - laat de baby diep aanhappen zodat het mondje zich niet sluit op het speentje en de baby niet enkel op het tepelhoedje zuigt
        - controleer bij voorkeur het gewicht om de drie dagen tot de melktoevoer stabiel is
        - controleer de borsten op verstopte melkkanaaltjes of gebieden die niet goed leeggedronken worden

        Onderhoud:
        - na elk gebruik spoelen met koud water en daarna goed reinigen met heet water en zeep, afspoelen en droog bewaren
        - bij schimmelinfectie of een andere infectie op de areola is het nodig om het tepelhoedje te steriliseren in kokend water
  • Borstvoeding bij aangeboren aandoeningen
    • Is borstvoeding geven mogelijk in geval van een gespleten lip en/of verhemelte?
      • Ja. Het is niet altijd evident en vraagt bijkomende inspanningen zowel van de moeder als van zorgverleners. Toch is borstvoeding zeker in dit geval van grote waarde. Volgende factoren spelen een rol bij de mogelijkheid om borstvoeding te geven in geval van een gespleten lip en/of verhemelte:
        • de ernst van de aandoening
        • de kennis, de vaardigheden en motivatie van de moeder
        • een goede begeleiding en steun voor de moeder
        • de bereidheid van de baby om evt. verschillende hulpmiddelen voor het voeden te accepteren
        • de emotionele draagkracht van de ouders om met deze aandoening om te gaan.
      • Aandachtspunten bij een gespleten lip
        Meestal wordt de opening opgevuld door het soepele borstweefsel van de moeder. Zoniet kan de moeder met haar vinger de opening afsluiten. Op deze manier kan de baby drinken zonder lucht te happen. Wanneer de opening bilateraal is kan de moeder haar duim gebruiken om zo een vacuüm te creëren. Meestal zal de baby luidruchtig drinken en vaak moeten boeren. Eventueel extra kolven om de melkproductie te ondersteunen. Een verticale houding (vb. rugligging) is aan te bevelen omwille van betere vacuümvorming en minder risico op verslikken.

        Aandachtspunten bij een gespleten verhemelte
        Deze situatie zorgt meestal voor meer moeilijkheden. De baby kan moeilijk houvast vinden en de borst in zijn mond houden. Bovendien kan het vacuüm dat nodig is om te drinken niet ontstaan doordat er een verbinding is tussen mond en neus. Vaak wordt daarom al vroeg een verhemelteplaatje gebruikt. De baby kan de neiging hebben om alleen op de tepel te zuigen. Het is dan ook belangrijk om het aanleggen goed te begeleiden. Door de baby rechtop zittend te voeden wordt voorkomen dat de melk via het neusje weer wegvloeit en de baby zich verslikt. Mogelijk zal de moeder gedurende lange tijd moeten afkolven en wordt de baby (bij)gevoed met een kopje. In geval van een gespleten verhemelte is het onwaarschijnlijk dat de baby voldoende zal groeien met exclusieve borstvoeding en zal bijvoeden nodig zijn.
    • Wat is het belang van borstvoeding bij baby’s met een gespleten lip en/of verhemelte?
      • Allereerst heeft moedermelk belangrijke voordelen vanwege de beschermende werking. Kinderen met een gespleten lip en/of verhemelte lopen meer risico op oorontstekingen en luchtweginfecties. Borstvoeding beschermt tegen deze infecties. Onderzoek toonde aan dat borstgevoede baby’s met gespleten lip/verhemelte 75% minder oorontstekingen doormaakten dan kunstgevoede baby’s met dezelfde aandoening. De anti-infectieuze werking en groeifactoren in borstvoeding zijn ook na een operatie belangrijk. Het zorgt ervoor dat de wonde sneller geneest en er minder infecties van de wonde optreden. Verder is moedermelk minder agressief dan kunstvoeding waardoor het minder erg is wanneer de baby zich verslikt.
        Daarnaast zorgt borstvoeding voor een optimale groei van de baby. Indien de operatie wordt uitgesteld totdat de baby een vooropgesteld gewicht heeft bereikt kan dit ook in dit verband belangrijk zijn.
        Bovendien worden de spieren van gezicht en mond geoefend door het zuigen aan de borst, waardoor een normale ontwikkeling van het gezicht en spierkracht worden gestimuleerd.
        Ten slotte vormt de tijd die men besteedt aan borstvoeding ook een investering in hechting, socialisatie en huidcontact.
    • Wat als er een operatie nodig is voor een gespleten lip en/of verhemelte?
      • In de periode voor de operatieve behandeling kan gebruik gemaakt worden van hulpmiddelen om de diepte van de spleet te reduceren (bvb. verhemelteplaatje).
        Verschillende studies hebben aangetoond dat het opportuun is om na een operatie van de lip de baby onmiddellijk opnieuw aan te leggen en niet eerst te voeden met een kopje of spuitje. Bij een operatie aan het verhemelte kan het initieel pijnlijk zijn voor de baby om de tepel in de mond te nemen. Doordat de tepel echter zacht is kan dit geen kwaad. Drinken aan een kunstspeen is echter af te raden o.w.v. mogelijke beschadigingen aan het verhemelte.

        Welke moeilijkheden kunnen zich voordoen bij borstvoeding aan een baby met gespleten lip en/of verhemelte?
        De meest voorkomende problemen zijn:
        • moeilijkheden met aanhappen en zuigen
        • stuwing
        • melkproductie die traag op gang komt
        • matige groei van de baby.
    • Is het mogelijk om borstvoeding te geven aan een baby met neurologische problemen?
      • Ja. Hoewel dit gepaard gaat met moeilijkheden om de baby te voeden, is het net voor deze baby’s erg belangrijk dat ze borstvoeding krijgen (zie verder).
    • Wat is het belang van borstvoeding voor een baby met neurologische problemen?
      • Vermits neurologische aandoeningen een verhoogd risico op infecties impliceren, is borstvoeding vooral belangrijk o.w.v. de anti-infectieuze werking. Bovendien worden tijdens het drinken de spieren van het gezicht en de mond goed geoefend. Verder gaan sommige neurologische aandoeningen gepaard met hartafwijkingen. Ook hier is borstvoeding opportuun omdat het minder stress bij de baby veroorzaakt dan het voeden met de fles, waardoor de baby zijn zuurstofsaturatie en temperatuur gemakkelijker op peil kan houden.
    • Welke problemen kunnen zich voordoen bij borstvoeding aan een hypotone baby?
      • In geval van lage spierspanning (zoals bvb. bij het syndroom van Down) heeft de baby moeite met het instandhouden van het vacuüm tijdens het drinken aan de borst. De baby kan de borst niet goed vasthouden, zuigt slechts zwak, kan de lippen niet stevig sluiten en de tong is minder beweeglijk. Vaak moeten deze baby’s gewekt worden voor een voeding.
    • Welke problemen kunnen zich voordoen bij borstvoeding aan een hypertone baby?
      • In geval van hoge spierspanning is de baby vaak erg gevoelig voor prikkelingen in en rond de mond. Deze baby’s vertonen zeer snel een braakreflex. Aan de borst hebben ze de neiging om naar achter te buigen, te overstrekken, te kokhalzen en zich te verslikken.
    • Wat zijn de aandachtspunten voor borstvoeding bij een hypotone baby?
      • Volgende punten kunnen helpen om de baby goed te laten drinken:
        - een goede ondersteuning van de onderkaak of kin kan de baby helpen om de borst goed te omsluiten en het borstweefsel efficiënt samen te drukken
        - het ondersteunen van het hoofdje voorkomt dat het naar achteren valt
        - een borstvoedingshulpset gebruiken zodat de baby voldoende melk kan drinken alvorens in slaap te vallen
        - rechtop voeden, tegen hem praten, minder warm kleden, strelen en vaker van borst wisselen om de baby alert te houden
        - evt. speciale oefeningen voorzien om de mond- en gezichtsspieren extra te oefenen
        - opvolging en begeleiding door een multidisciplinair team.

        Hypotone baby’s gelijken in vele opzichten op premature baby’s: ze zullen geleidelijk aan beter leren zuigen, slikken en ademhalen.
    • Wat zijn de aandachtspunten voor borstvoeding bij een hypertone baby?
      • Volgende punten kunnen helpen om de baby goed te laten drinken:
        - zorg voor een rustige omgeving
        - voed evt. in een ronde houding om overstrekken tegen te gaan
        - vermijd overprikkeling in en rond de mond: hierdoor wordt kokhalzen en verslikken voorkomen
        - vaak is zuigtraining door een deskundige zorgverlener nodig (vb. gespecialiseerde logopedist of kinesitherapeut)
        - soms kan het helpen dat de moeder voorzichtig het puntje van de tong aanraakt en naar achter brengt. Zo leert de baby bovendien een lichte druk op de tong te verdragen. Door zachtjes met een vinger over het verhemelte te gaan wordt de zuigreflex gestimuleerd
        - opvolging en begeleiding door een multidisciplinair team en een lactatiekundige.
  • Borstvoeding bij prematuriteit
    • Is de nutritionele samenstelling van moedermelk aangepast aan de noden van een premature baby?
      • Ja. De samenstelling van moedermelk die aangemaakt wordt bij een vroegtijdige bevalling is lichtjes anders dan bij een voldragen zwangerschap. Deze melk bevat hogere concentraties aan:
        - eiwitten, vetten en energie
        - natrium, chloride, kalium, calcium, ijzer en magnesium.
        Geleidelijk aan (na +/- 3 weken) neemt het eiwitgehalte af en is er een toename van de vetten, lactose en energie.
        Deze samenstelling komt tegemoet aan de hoge behoefte aan eiwitten en energie van de premature baby om zijn optimale groei te bereiken.
    • Wanneer is het nodig om de moedermelk te verrijken?
      • Wanneer de baby een geboortegewicht van minder dan 1500 gr heeft is exclusieve borstvoeding ontoereikend. In dit geval dient de moedermelk verrijkt te worden met ‘fortifiers’. Dit is slechts tijdelijk. Het is belangrijk dat de moeder weet dat de belangrijke antistoffen van moedermelk hiermee niet vervangen worden. Deze ‘fortifiers’ zijn meestal op basis van koemelk en voegen eiwitten, calcium, vitaminen en fosfaten toe aan afgekolfde melk.
    • Wat zijn de nadelen van het verrijken van moedermelk?
      • Hoewel deze verrijking aangewezen kan zijn, zijn er ook risico’s aan verbonden. Daarom dient men dit weloverwogen te doen en niet als routinemaatregel bij grotere baby’s toe te passen. Volgende nadelen zijn bekend:
        - een tragere maaglediging en mogelijke voedingsintolerantie
        - de voeding wordt geconcentreerder wat het risico op gastro-intestinale aandoeningen verhoogt
        - sommige anti-infectieuze eigenschappen van moedermelk (bvb. lactoferrine) worden geneutraliseerd
        - het risico op infectie neemt toe
        - het risico op contaminatie van de melk neemt toe
        - het introduceert koemelkeiwit in de voeding waardoor het risico op koemelkeiwitallergie toeneemt.
    • Is de immunologische samenstelling van moedermelk aangepast aan de noden van een premature baby?
      • Ook op immunologisch vlak is de samenstelling van moedermelk lichtjes anders bij moeders die prematuur bevallen zijn. In deze moedermelk wordt op verschillende momenten in de borstvoedingsperiode een hogere concentratie aan antimicrobiële agenten en antistoffen vastgesteld.
        Het colostrum van prematuur bevallen moeders bevat hogere concentraties aan:
        • IgA
        • lysozomen
        • lactoferrine
        • macrofagen
        • lymfocyten
        • neutrofielen.
      • Bovendien kan de moeder haar lichaam aanzetten tot het aanmaken van specifieke antilichamen tegen ziekenhuisinfecties door zoveel mogelijk tijd door te brengen in de onmiddellijke omgeving van de baby. Dit biedt de premature baby extra bescherming.
    • Wat zijn de psychologische voordelen van borstvoeding bij een premature baby?
      • Bij premature baby’s is bekend dat er vaker hechtingsproblemen ontstaan. Wanneer het mogelijk is om de eerste zorgen toe te dienen terwijl de baby op de borst van de moeder ligt, zal dit huid-op-huidcontact de oxytocine-secretie bij de moeder stimuleren. Dit oxytocine-gehalte komt de hechting met de moeder en de kans op een succesvolle borstvoeding ten goede.
    • Wat zijn aandachtspunten bij het opstarten van de borstvoeding bij een premature baby?
      • Meestal zal de melkproductie op gang moeten worden gebracht met een kolf en dit liefst zo snel mogelijk na de bevalling – zeker binnen zes uur.
        Tot de melkproductie op peil is zal de moeder minstens acht keer per dag moeten afkolven, ook ’s nachts. Het is immers de bedoeling om het drinkpatroon van een aterme baby na te bootsen. De moeder kan afwisselen tussen kolven met een toestel en kolven met de hand. Dubbelzijdig elektrisch afkolven geeft de beste stimulatie. Vaak wordt de toeschietreflex belemmerd door de afwezigheid van de baby en de bezorgdheid hierom. De toeschietreflex is echter noodzakelijk om tot een toereikende hoeveelheid melk te komen. Het kan helpen om naast de couveuse af te kolven of een foto van de baby te bekijken. Soms zal het gebruik van een neusspray met oxytocine nodig zijn om de toeschietreflex vergemakkelijken.
    • Wat zijn aandachtspunten bij het onderhouden van de borstvoeding bij een premature baby?
      • Wanneer de melkproductie goed op gang is gebracht, blijft het nodig om regelmatig af te kolven als de baby nog niet zelf kan drinken. De melkproductie zal immers afnemen als de borst minder vaak geleegd wordt. Doelstelling is om vanaf dag 10 postpartum minstens 600 ml/dag af te kolven. Hoe vaak de moeder hiervoor moet kolven hangt af van de opslagcapaciteit van haar borsten. Bij problemen met de melkproductie kan het helpen om:
        - de borst te masseren en met de hand af te kolven
        - huid-op-huidcontact met de baby te hebben
        - af te kolven naast de baby
        - de lege borst extra te stimuleren
        - professionele steun en steun van lotgenoten te zoeken
        - actief betrokken te zijn in het voedingsplan van de baby
        Daarnaast kunnen lactatiestimulerende middelen zoals Motilium® aangewezen zijn. Toch is dit enkel succesvol als er daarnaast ook voor gezorgd wordt dat de borsten voldoende vaak worden geleegd.
    • Wat zijn aandachtspunten bij het gebruik van afgekolfde moedermelk voor een premature baby?
      • Allereerst is het belangrijk dat de moeder goed geïnformeerd wordt over hoe ze de melk hygiënisch en veilig kan afkolven en bewaren. De afgekolfde moedermelk wordt best in onderstaande volgorde aan de baby gegeven:
        - allereerst het colostrum dat werd bekomen in de eerste vier dagen postpartum
        - vervolgens de meest verse melk eerst: d.w.z. recent afgekolfd (binnen vier uur) en niet gekoeld
        - vervolgens de gekoelde melk
        - ingevroren melk wordt pas gegeven indien er geen verse of gekoelde melk voorradig is.
        De aanbevelingen voor gebruik van moedermelk in geval van ziekte bij de moeder verschillen voor de premature baby niet met deze voor een aterme baby. Uitzondering op de regel is het cytomegalievirus. Wanneer de moeder van een zeer vroeg geboren baby recentelijk geïnfecteerd is met cytomegalie, is het aangewezen om de moedermelk eerst te pasteuriseren (62,5°C gedurende 30 min).
    • Wanneer is een premature baby klaar om rechtstreeks aan de borst te drinken?
      • Dit is afhankelijk van de ontwikkeling van zijn zuig- en slikreflex en zijn algehele toestand. Leeftijd en gewicht spelen meestal een ondergeschikte rol.
        Om na te gaan of de baby klaar is om over te gaan van sonde- naar borstvoeding dient men volgende punten te evalueren:
        - zuigt de baby spontaan?
        - gaat het om niet-nutritief of nutritief zuigen; en wordt na 3 tot 5 keer nutritief zuigen gepauzeerd?
        - is er een aanzienlijk verschil tussen nutritief en niet-nutritief zuigen van de baby?
        - is er een diepe kaakbeweging?
        - is er zuigkracht?
        - hoe is de tongbeweging?
        - verloopt het zuigen, slikken en ademhalen gecoördineerd?
        Meestal geeft de baby zelf aan wanneer hij klaar is om te drinken aan de borst. Wanneer hij tijdens de sondevoeding alert is en kleine mondbewegingen maakt, kan men proberen hem aan de borst te leggen. Hierbij is het belangrijk dat de baby de kans krijgt om positieve ervaringen op te doen door hem de tijd te geven rustig de borst te besnuffelen of te likken. Bij heel wat premature baby’s is er immers sprake van een orale aversie door aspiratie, intubatie of inbrengen van voedingssondes.
    • Hoe kan men een premature baby helpen om goed aan te happen?
      • Volgende punten kunnen helpen om te zorgen dat de baby diep en goed aanhapt:
        - de borst door massage wat zachter maken door massage alvorens aan te leggen
        - evt. kan de moeder haar borsten en tepels vooraf voorzichtig masseren en stimuleren zodat de melk vlotter komt en de baby de tepel makkelijk vindt
        - de baby ondersteunen zodat hij zonder inspanning dicht tegen de moeder blijft aanliggen: voeden met de baby onder de arm of in doorgeschoven houding is hiervoor geschikt
        - de borst vasthouden en zodanig vormen dat de baby makkelijk aanhapt en voorkomen wordt dat de borst het kinnetje van de baby wegdrukt
        - een tepelhoedje gebruiken als het rechtstreeks drinken aan de borst nog moeilijk is
        - borstcompressie toepassen zodat de melktoevoer gestimuleerd wordt
        - een goede melkproductie in stand houden zodat de melk steeds makkelijk vloeit.
  • Ijzer- en vitaminesuppletie
    • Is ijzersuppletie nodig bij exclusieve borstvoeding tot de leeftijd van zes maanden?
      • Nee.
        Hoewel het ijzergehalte in borstvoeding relatief laag is, komt een ijzertekort bij borstgevoede baby’s slechts zelden voor. Minstens tot de leeftijd van 9 maanden slagen zij erin om hun ijzergehalte op hetzelfde niveau te houden als baby’s die kunstvoeding en ijzersupplementen krijgen. Gezonde voldragen baby’s krijgen bij geboorte een ijzerreserve mee en bovendien zorgt het hoge lactose- en vitamine C-gehalte in moedermelk ervoor dat het ijzer uit moedermelk bijzonder goed wordt opgenomen.
        Extra ijzer toedienen aan gezonde en voldragen baby’s die zes maanden exclusieve borstvoeding krijgen, is zelfs af te raden. Het kan er immers voor zorgen dat het ijzerbindend vermogen van lactoferrine in de moedermelk en de anti-infectieuze eigenschappen hiervan verloren gaan.
    • Is een supplement vitamine D nodig bij borstvoeding?
      • Vitamine D wordt in de huid gevormd op basis van cholesterol wanneer men blootgesteld wordt aan UVB-stralen. Een blootstelling aan zonlicht van een volledig geklede baby gedurende 30min tot 2uur per week is in principe voldoende om het vitamine D-gehalte op peil te houden. Hoewel een tekort aan vitamine D niet frequent voorkomt bij borstgevoede kinderen, wordt systematische preventieve toediening van een supplement van 400 IE vitamine D vanaf de geboorte aanbevolen de eerste 2 levensmaanden tot zolang de borstvoeding exclusief is als melkvoeding.
        Extra toediening van vitamine D binnen bepaalde grenzen is immer veilig terwijl een tekort aan vitamine D erg moeilijk op te sporen is en ernstige gevolgen kan hebben (rachitis). Vooral kinderen met een donker gepigmenteerde huid zijn gevoelig voor een vitamine D-tekort. Bij hen wordt 600 IE aanbevolen.
    • Is een supplement vitamine K nodig bij borstvoeding?
      • Vitamine K is essentieel voor de bloedstolling. Een tekort aan vitamine K kan leiden tot gevaarlijke bloedingen. Daarom wordt aanbevolen om elk kind na de geboorte 1mg vit K toe te dienen. Dit gebeurt bij voorkeur intramusculair, 2e keuze is oraal. Krijgt het kind dit oraal toegediend dan is ingeval van borstvoeding het aanbevolen vanaf de geboorte tot 3 maanden extra vit K toe te dienen. Dit kan een dagelijkse dosis zijn van 25 mcg/dag of een wekelijkse dosis van 2mg/week.
  • Transfer van medicatie in moedermelk
    • Mag de moeder medicatie innemen tijdens de borstvoedingsperiode?
      • Het innemen van medicatie tijdens de borstvoedingsperiode geeft vaak minder problemen dan algemeen wordt aangenomen. Hoewel er sporen van de meeste medicatie in de moedermelk terechtkomen, is de invloed op de baby meestal verwaarloosbaar. Sommige stoffen worden niet door het lichaam van de baby opgenomen. Bijna steeds is er een geneesmiddel voorhanden dat geen nadelige gevolgen heeft voor de baby. Ook langdurig gebruik van medicatie voor hypertensie, depressie, tbc of epilepsie kan compatibel zijn met borstvoeding.
    • Hoe kan men het risico van medicatiegebruik bij borstvoeding evalueren?
      • Als medicatie nodig is, is het belangrijk om een individuele risico-inschatting te maken. Een nuttig instrument voor de risico-evaluatie is de gids van Th. Hale (2005) waarin medicatie wordt ingedeeld in verschillende risicocategorieën, gaande van ‘zeer veilig’ tot ‘tegenaangewezen’.

        Bij het evalueren van het risico dient men de leeftijd en de algemene conditie van de baby mee in rekening te brengen. De (im)maturiteit van het gastro-intestinale systeem, de lever en de nieren heeft nl. een effect op hoe de medicatie wordt opgenomen, gemetaboliseerd en afgevoerd. Naast de leeftijd speelt het gewicht eveneens een rol, alsook het feit of de baby nog exclusief borstvoeding krijgt dan wel reeds fruit en/of groenten eet.
    • Hoe kan men de transfer van medicatie in moedermelk beperken?
      • Volgende tips beperken de transfer van medicatie in moedermelk:
        - Voed de baby net voordat de medicatie wordt ingenomen.
        - Vermijd voeden op het moment dat de plasmaspiegel bij de moeder piekt.
        - Wanneer de medicatie erg vetoplosbaar is, kan de moeder een overvloedige melkproductie onderhouden door te kolven na het voeden. Vervolgens dient de moeder deze melk weg te - gieten. Door het hogere vetgehalte zal de concentratie aan medicatie in deze melk ook hoger zijn.
        - De moeder kan op voorhand afkolven en melk bewaren wanneer ze weet dat ze voor een bepaalde tijd medicatie zal moeten nemen die incompatibel is met borstvoeding.
        - Ook met medicatie die vrij verkrijgbaar is, dient voorzichtig omgesprongen te worden. Zo zijn er bvb. aan het gebruik van aspirine belangrijke bijwerkingen verbonden. Kies indien mogelijk voor medicatie die plaatselijk wordt toegediend (bvb. neusdruppels i.p.v. systematische antihystaminica). Middelen die plaatselijk gebruikt worden leiden tot minder hoge plasmaspiegels bij de moeder.
        - Kies indien mogelijk medicatie die ook bij kinderen wordt gebruikt en als veilig wordt beschouwd.
        - Kies indien mogelijk medicatie met een korte halfwaardetijd, een hoge proteïnebinding, een hoog moleculair gewicht of lage biologische beschikbaarheid.
    • Welke medicatie remt de melkproductie af?
      • Pseudoephedrine komt voor in verschillende neussprays die vrij te koop zijn in de apotheek en is geassocieerd met een significante daling van het melkvolume en het prolactinegehalte.
        • De hormonale anticonceptiepil waarbij oestrogenen en progesteronen worden gecombineerd heeft een negatief effect op de melkproductie. Daarom is het aangewezen om te kiezen voor een anticonceptiepil die geen oestrogenen maar enkel laaggedoseerde progesteronen bevat (minipil). Ook deze pil kan bij gebruik kort na de bevalling echter voor een verminderde melkproductie zorgen. Het is dan ook aan te raden om het gebruik zolang mogelijk (zeker tot 6 weken postpartum) uit te stellen.
        • Verder geven sommige studies aan dat een overmatige toediening van pyridoxine (vitamine B6) de melkproductie afremt. Terwijl de dagelijks aanbevolen dosis 1,6 mg bevat, voorzien de meeste supplementen in 25 mg/dag. Aangetoond is dat doses van 600 mg/dag een verminderde prolactinesecretie met zich meebrengen.
        • Andere lactatieremmende medicijnen zijn levodopa, phenelzine, ergocriptine, barbituraten, apomorfine en alcohol.
        • Daarnaast zijn er een aantal medicijnen die intentioneel de lactatie onderdrukken, zoals bromocriptine en cabergoline. Het gebruik van bromocriptine als lactatieremmer wordt echter afgeraden o.w.v. ernstige bijwerkingen.
    • Welke medicatie is tegenaangewezen bij borstvoeding?
      • Een aantal medicijnen zijn duidelijk tegenaangewezen tijdens de borstvoedingsperiode. We geven een overzicht.
        - antineoplastische agentia die gebruikt worden bij de behandeling tegen kanker
        - radiopharmaceutica
        - retinoïden
        - chloramphenicol
        - lithium
        - phenindione
        - tetracyclines
      • Hoewel vaak als tegenaangewezen beschouwd, is het gebruik van metronizadole (Flagyl®) compatibel met borstvoeding.
  • Voeding van de moeder
    • Wat is de voedingsbehoefte van een voedende moeder?
      • Een voedende moeder heeft in principe geen uitgesproken grotere caloriebehoefte. De vetreserves die in de zwangerschap zijn aangelegd worden tijdens de borstvoeding aangesproken. De totale caloriebehoefte per dag bedraagt ongeveer 2500. Voor de melkproductie zijn er per dag 700 calorieën nodig, waarvan de moeder er 200 haalt uit vetreserves en 500 dient op te nemen door extra voeding.

        Over het algemeen heeft een voedende moeder geen nood aan vitaminesupplementen. Dit op voorwaarde dat ze voldoende gevarieerd, evenwichtig en gezond eet.

        Wat de inname van vocht betreft, geldt dat de moeder voldoende drinkt wanneer ze tegemoetkomt aan haar eigen dorstgevoel, met een minimum van 1.5 liter per dag. De urine is dan helder tot lichtgeel.
    • Is de moedermelk van een moeder die geen optimaal dieet heeft kwalitatief nog toereikend?
      • Alhoewel een optimale voeding dient nagestreefd te worden, kunnen we dit enigszins matigen door de wetenschap dat ook vrouwen van wie het dieet niet optimaal is, borstvoeding kunnen geven. Zelfs als de voeding beperkt is, zal het lichaam de beschikbare nutriënten zeer efficiënt aanwenden. In geval van chronische ondervoeding zullen de nutriënten die noodzakelijk zijn voor de moedermelk gemobiliseerd worden uit de reserves van de moeder, dit ten koste van de gezondheid van de moeder.
    • Mag een voedende moeder tijdens de borstvoedingsperiode op dieet gaan?
      • Een geleidelijke gewichtsafname door een verminderde calorie-inname heeft geen nadelige effecten voor de kwantiteit of kwaliteit van de moedermelk. Moeders die op dieet wensen te gaan tijdens de borstvoeding, dienen echter aangemoedigd te worden om dit niet te drastisch te doen. Wanneer de moeder te snel vermagert, zullen de vetoplosbare toxines en contaminanten die opgeslagen zijn in de vetreserves van de moeder vrijkomen in de moedermelk. Bovendien kan een sterk verminderde calorie-inname van de moeder sommige baby’s onrustig maken en leiden tot een verminderde gewichtstoename bij de baby.
    • Is de moedermelk van een moeder die vegetarisch eet kwalitatief toereikend?
      • Een vegetarisch dieet stelt over het algemeen geen problemen voor borstvoeding. Wel is het van belang om op de inname van ijzer en vitamine B te letten. Belangrijke bronnen van deze voedingsstoffen zijn graanproducten, peulvruchten, eieren, noten, tahoe, tempé en andere sojaproducten. Doordat ijzer uit plantaardige bronnen minder goed wordt opgenomen, is het van belang om bij iedere maaltijd een vitamine C-rijk product te gebruiken ter bevordering van de ijzeropname.
    • Is de moedermelk van een moeder die veganistisch eet kwalitatief toereikend?
      • Een veganistisch dieet is erg restrictief en bevat geen enkel product van dierlijke oorsprong. Mogelijk vertoont de moedermelk van veganistische vrouwen een verminderde concentratie aan calcium, magnesium en vitamine B12. Deze moeders dienen aangemoedigd te worden om voldoende calorieën in te nemen, extra eiwitten te consumeren en te kiezen voor voeding die rijk is aan ijzer, calcium, vitamine D en riboflavine. Speciale aandacht is dus nodig voor vitamine B12 aangezien we deze enkel vinden in dierlijke producten, versterkte soja, vleesvervangers of vitamine B12-supplementen.
    • Zijn er voedingsmiddelen die een voedende moeder niet mag eten?
      • Wanneer er geen aanwijzingen zijn dat de baby allergisch is en er geen allergieën bij naaste familieleden zijn, hoeft een voedende moeder niet speciaal op haar voeding te letten. Toch kan het gebeuren dat de baby reageert op bepaalde voedingsmiddelen die de moeder eet. In de meeste gevallen zal de baby hier later geen hinder meer van ondervinden, ook als hij nog borstvoeding krijgt.

        Bij ongeveer 4 tot 6% van de kinderen is er sprake van een voedselallergie. Wanneer een kind met een verhoogd risico op allergieën reeds gesensibiliseerd is (eerste blootstelling aan de allergene stof), kan een allergische reactie worden uitgelokt door de eiwitten die via de voeding van de moeder in de moedermelk terechtkomen. Het is dan aan de moeder om via eliminatie, belasting en re-eliminatie na te gaan welk voedingsmiddel de allergische reactie uitlokt en dit voedingsmiddel vervolgens een tijdlang te vermijden. De meest voorkomende allergenen in moedermelk zijn koemelk en melkproducten. Anderen zijn: chocolade, cola, maïs, citrusvruchten, tarwe en pindanoten.
  • Sociale en illegale drugs
    • Wat is effect van nicotine op de borstvoeding?
      • Moeders die roken geven over het algemeen minder lang borstvoeding en hebben een verminderd melkvolume, wellicht door een lager prolactinegehalte.
    • Wat is het effect van nicotine op de gezondheid van de baby?
      • De concentratie nicotine in het plasma van de moeder en in de moedermelk zijn sterk gerelateerd. Het nicotinegehalte in de bloedstroom van de baby is hoger door passief roken dan door inname van nicotine via de moedermelk, maar beide effecten versterken elkaar.
        Kinderen waarvan de ouder(s) roken in huis, lopen een verhoogd risico op ziekenhuisopname, aandoeningen van de luchtwegen en maagdarmziekten. Er is eveneens een significant verhoogd risico op wiegendood. Wanneer deze kinderen borstvoeding krijgen, zal dit helpen om te beschermen tegen de verhoogde risico’s die passief roken met zich meebrengt.
        Wanneer de moeder rookt gaat de smaak van nicotine eveneens over in de moedermelk. Hierdoor kan de baby onrustig worden of de borst weigeren. Andere mogelijke gevolgen zijn: overgeven, diarree, rusteloosheid, kolieken en een verhoogde hartslag.
    • Wat is het effect van alcohol op de borstvoeding?
      • Alcohol komt via passieve diffusie in de moedermelk terecht, waar een concentratie bereikt wordt die quasi gelijk is aan de concentratie in de bloedstroom van de moeder. Alcohol verandert de smaak en de geur van moedermelk.
        Na 2 glazen alcohol wordt de secretie van oxytocine, die nodig is voor de toeschietreflex, reeds (gedeeltelijk of volledig) geïnhibeerd. Na 1 glas alcohol wordt een terugval van de melkproductie met meer dan 20% vastgesteld.
    • Wat is het effect van alcohol op de gezondheid van de baby?
      • Hoe jonger het kind, hoe schadelijker de blootstelling aan alcohol.
        Wanneer de moeder één glas alcohol per dag drinkt wordt reeds een verminderde psychomotorische ontwikkeling bij de baby vastgesteld. Hetzelfde effect wordt bereikt wanneer men niet elke dag maar één keer per week kort na mekaar vijf glazen alcohol drinkt. Ook toont onderzoek aan dat één glas alcohol er reeds voor zorgt dat de baby meer gaat zuigen maar minder melk krijgt en licht gesedeerd raakt.
        Meer dan twee glazen alcohol kan er bovendien voor zorgen dat het beoordelingsvermogen van de moeder afneemt en ze niet meer optimaal kan functioneren. Ook dit heeft gevolgen voor de baby.
    • Wat is het effect van cafeïne op de borstvoeding?
      • De mate waarin cafeïne overgaat in moedermelk is individueel afhankelijk van hoe snel het lichaam van de moeder deze stof absorbeert en elimineert. In het algemeen geldt dat de concentratie aan cafeïne in moedermelk piekt ongeveer een uur na inname door de moeder.
    • Wat is het effect van cafeïne op de gezondheid van de baby?
      • Wanneer de moeder één of twee koppen koffie drinkt ondervindt de baby hiervan geen last. Voor pasgeboren baby’s duurt het echter 80u voor ze cafeïne gemetaboliseerd hebben waardoor de cafeïne zich kan opstapelen.
        Het drinken van drie of meer koppen koffie per dag is geassocieerd met een significant verminderde ijzerconcentratie in de moedermelk. Op lange termijn kan dit leiden tot ijzertekort bij de baby. Verder vertoont de baby mogelijk onrust, irritatie en slapeloosheid. Wanneer de moeder ook nog rookt, wordt het effect van de cafeïne versterkt.
    • Wat is het effect van marihuana/cannabis op de borstvoeding?
      • De actieve component van marihuana (THC) is vetoplosbaar en stapelt zich bij ernstig gebruik op in de moedermelk en blijft er lange tijd actief. Hoewel er in moedermelk hogere concentraties worden vastgesteld dan in het plasma van de moeder, is deze concentratie zelfs bij zware gebruikers te laag om significante bijwerkingen voor de baby te hebben. Net zoals bij nicotine zal de baby echter bij passief roken aanzienlijke hoeveelheden absorberen.
        Sommige studies stellen een verminderde melkproductie vast bij marihuanagebruik, doordat het basale prolactinegehalte wordt verlaagd.
    • Wat is het effect van marihuana/cannabis op de gezondheid van de baby?
      • De effecten van marihuana voor de baby blijven zwaar bediscussieerd en bewijzen voor de gevolgen op lange termijn zijn niet voorhanden. Studies bij dieren stellen vast dat pasgeboren dieren structurele wijzigingen in de hersenen vertonen wanneer ze via de moedermelk worden blootgesteld aan marihuana.
        De eerste 12 tot 24 maanden kennen de hersenen en het centrale zenuwstelsel van de baby een zeer snelle groei en ontwikkeling. Beschadiging tijdens deze periode zou dan ook verregaande gevolgen kunnen hebben. Op korte termijn bestaan de gevolgen voor de baby vooral uit sedatie, zwakte en een slecht voedingspatroon.
        Wanneer men moeders op basis van marihuanagebruik wil aanraden om kunstvoeding te geven (cf. AAP), dient men eveneens in vraag te stellen of de moeder in staat is om hierbij voldoende hygiënisch en correct te werk te gaan. Kan ze kunstvoeding betalen of bestaat het risico dat ze snel zal overstappen op voeding die ongeschikt is voor de leeftijd van de baby? Zal de moeder op tijd adequate hulp zoeken wanneer de baby vaker ziek wordt als hij kunstvoeding krijgt?
    • Wat is het effect van heroïne op de borstvoeding?
      • Heroïne komt terecht in de moedermelk maar heeft een lage biologische beschikbaarheid voor de baby. Dit wil zeggen dat het niet goed wordt opgenomen door de baby.
    • Wat is het effect van heroïne op de gezondheid van de baby?
      • Heroïnegebruik tijdens de zwangerschap is geassocieerd met groeiachterstand van de baby. Afhankelijk van de duur en hoeveelheid van het gebruik zal de baby ontwenningsverschijnselen hebben. Blootstelling aan heroïne via de moedermelk leidt bij de baby tot sedatie, ademhalingsmoeilijkheden, overgeven en prikkelbaarheid.
        Heroïnegebruik wordt door de AAP als contra-indicatie voor borstvoeding beschouwd.
    • Wat is het effect van methadon op de borstvoeding?
      • Methadon komt in moedermelk terecht met concentraties die ongeveer gelijk zijn aan de concentratie in het plasma van de moeder. Methadon bereikt de hoogste concentratie in moedermelk zowat een half uur tot een uur na de orale inname door de moeder en heeft een lange halfwaardetijd.
    • Wat is het effect van methadon op de gezondheid van de baby?
      • De aanbevelingen i.v.m. borstvoeding zijn tegenstrijdig. Terwijl de AAP deze moeders afraadt om borstvoeding te geven wanneer ze > 20 mg/dag innemen, tonen studies aan dat de hoeveelheid die in de moedermelk terechtkomt te laag is om nadelige gevolgen voor de baby te hebben.
        Wanneer de baby via de moedermelk methadon doorkrijgt zal dit hem helpen om te ontwennen van de blootstelling in de baarmoeder. Heel wat borstgevoede baby’s kunnen op deze manier langzaam ontwennen.
  • Borstvoeding en werken
  • Afkolven van moedermelk
    • Welke verschillende manieren zijn er om af te kolven?
      • Afkolven kan zowel met de hand als met een afkolftoestel gebeuren. De keuze hangt af van waar de moeder zich best bij voelt en welke methode het meest geschikt is in haar specifieke situatie. Wanneer een moeder bvb. maar occasioneel wil afkolven kan dat makkelijk met de hand en is er geen afkolftoestel nodig. Bij frequent afkolven kan een elektronische kolf aangewezen zijn.
    • Wat zijn aandachtspunten bij het afkolven?
      • Afkolven is iets dat geleerd moet worden. In het begin zal de moeder vaak slechts kleine hoeveelheden melk afkolven. Haar lichaam moet zich aanpassen en leren om te reageren op de stimuli van het kolven. Het is zinvol om in het begin vooral ’s morgens af te kolven, op een moment dat de moeder wellicht het meest uitgerust is en meer melk heeft.
        Ter voorbereiding kan de moeder haar borsten masseren, in de richting van de tepel. Ze kan wrijven met de hele hand, kleine cirkelvormige bewegingen met de vingers maken of een vuist maken en met de geplooide vingers over de borst rollen.
        Wanneer de melk moeilijk toeschiet kan het helpen om warme compressen aan te brengen, de tepels te stimuleren of voorover leunend de borsten te schudden. Ook een foto of kleertjes van de baby bij zich houden kan de toeschietreflex bevorderen.
    • Hoe kan afgekolfde moedermelk het best bewaard worden?
      • Bij het bewaren van moedermelk is het steeds belangrijk om hygiënisch te werk te gaan en de handen te wassen alvorens te kolven, moedermelk te ontdooien en te gebruiken. Wanneer men afkolft kan men de melk best rechtstreeks opvangen in een afsluitbaar flesje, potje of moedermelkzakje. Tot de leeftijd van zes maanden moet dit recipiënt steeds steriel zijn.
        Het is handig om steeds een etiket met datum en eventueel uur van afkolven op het recipiënt te voorzien. Melk van twee verschillende afkolfbeurten kan worden samengegoten op voorwaarde dat de recentst afgekolfde moedermelk eerst gekoeld wordt gedurende enkele uren en nadien bij de reeds gekoelde of ingevroren moedermelk wordt gevoegd.
        Onderstaande tabel biedt een overzicht van de kenmerken van de verschillende recipiënten waarin men moedermelk kan bewaren.

        Type

        Beschrijving

        Voordeel

        Nadeel
        Effect

        Gezonde baby

        Opvang

        Prematuriteit of ziekte

        Polyethylene -diepvries-zakjes
        -moeder-melkzakjes
        - goedkoop
        - geen afwas
        - fragiel
        - volume-markeerders niet correct
        - handigheid nodig
        - vetverlies
        - makkelijk besmet
        - kwaliteits-verlies door licht
        - verlies van sIgA
        OK NEE NEE
        Harde plastic - polypropylen (troebel, beweeglijk)
        - poly-carbonate (helder, hard)

        - goed voor korte periode   in koelkast

        - duurzaam

        - frequent gebruik geeft krassen wat kans op bacteriegroei verhoogt - klein verlies van cel-componenten OK OK OK bij goede sluiting en korte bewaartijden

        Glas

         

        - bewaart de immuun-componenten best

        - kan breken

        - kwaliteits-verlies door licht, cellulaire deeltjes plakken aan de wand maar laten sneller opnieuw los dan bij plastic OK NEE NEE

    • Hoe lang kan afgekolfde moedermelk bewaard worden?
      • Overzicht:

         

        Opgewarmd

        Kamertemp.
        max. 25°C

        Koeltas 15°C

        Koelkast achteraan 4°C

        Diepvriesvak
        in koelkast

        Diepvries
        -18°C

        Verse moedermelk

        1 uur

        4 uur

        24 uur

        max. 72 uren

        2 weken

        3 tot 6 maanden

        Ontdooide moedermelk

        1 uur

        1 uur

         

        24 uur

         

         


        Bijkomende opmerkingen:
        Bovenstaande richtlijnen gelden voor voldragen en gezonde baby’s. Voor zieke of premature baby’s worden andere richtlijnen gehanteerd.
        Men plaats de melk best steeds achteraan in de koelkast of diepvriezer om temperatuurschommelingen en verlies van unieke eigenschappen te beperken.
        Door bewaring verandert het vetgehalte van moedermelk. Dit verlies kan beperkt worden door het recipiënt zachtjes te schudden voor gebruik.
        Ontdooide melk mag niet opnieuw ingevroren worden.
    • Hoe kan afgekolfde moedermelk best opgewarmd worden?
      • Afgekolfde moedermelk wordt best op kamertemperatuur gegeven: dit reactiveert de antistoffen.
        Opwarmen gebeurt best in lauw water (stromend of ‘au bain marie’) of met een flessenwarmer.
        Laten opwarmen bij kamertemperatuur wordt afgeraden omwille van bacteriegroei.
        De meningen zijn verdeeld over opwarmen in de microgolfoven
        nadelen: beschermende eiwitten verliezen kwaliteit, ongelijke verdeling van de warmte (‘hot spots’)
        indien de microgolfoven toch wordt gebruikt kan men best in de laagste stand opwarmen en halverwege de melk zachtjes schudden.
    • Hoe kan ingevroren moedermelk het best ontdooid worden?
      • Ingevroren moedermelk laat men bij voorkeur traag achteraan in de koelkast ontdooien, niet in de deur of groentelade. Wanneer er geen tijd is om de melk langzaam te laten ontdooien kan men het recipiënt ook onder stromend water houden (van koud naar warm). Het is dan echter belangrijk om het water niet te warm te laten worden aangezien er dan antistoffen verloren gaan.
        Het is afgeraden om moedermelk te laten ontdooien op kamertemperatuur. Ook mag moedermelk na ontdooiing niet opnieuw worden ingevroren en niet meer worden gebruikt na 24u.
    • Hoeveel afgekolfde moedermelk heeft een baby nodig?
      • Als algemene richtlijn kan volgende formule gebruikt worden om de hoeveelheid melk te bepalen die de baby per keer drinkt:
        150 ml x kg lichaamsgewicht
        --------------------------
        aantal voedingen per dag
        aantal voedingen per dag
        Een baby van 4 kg die normaal 10 keer op een dag drinkt zal dus bij benadering 60 ml per voeding nodig hebben.
  • Borstvoedingsproblemen
    • Wat zijn de kenmerken van een verstopt melkkanaal?
      • - pijnlijke, gezwollen, harde en vaak lichtjes rode plek op de borst
        - sommige vrouwen hebben er herhaaldelijk last van en ontwikkelen als gevolg hiervan een borstontsteking
    • Hoe een verstopt melkkanaal behandelen?
      • Vaak verdwijnt de verstopping spontaan binnen 24 à 48 uur en is er geen behandeling nodig. Het herstelproces kan worden bevorderd door:
        - door te gaan met voeden aan de borst met het verstopt melkkanaal
        - het gebied met het verstopt melkkanaal goed te draineren, bvb. door massage en borstcompressie of kolven na de borstvoeding
        - te verzekeren dat de baby goed aanhapt en tijdens het drinken de borst te masseren
        - warmte aan te brengen op de pijnlijke plek
        - voldoende te rusten.

        Voor moeders die erg gevoelig zijn voor steeds terugkerende verstopte melkkanaaltjes kan het innemen van 1200 mg lecithine, drie à vier keer per dag, helpen.
    • Wat zijn de kenmerken van een borstontsteking?
      • - een borstontsteking is een ontstekingsreactie in de borst, al dan niet gepaard met infectie
        - initiële symptomen zijn: vermoeidheid, gevoelige plek(ken) op de borst, hoofdpijn en grieperige spierpijnen
        - vervolgens: koorts, een verhoogde hartslag en het verschijnen van een warme, rode en pijnlijke zone op de borst
        - koorts wijst niet per definitie op een infectie van buitenaf: de opeenhoping van melk kan eveneens voor bacteriegroei zorgen
    • Wat zijn mogelijke oorzaken van een verstopt melkkanaal en borstontsteking?
      • Een verstopt melkkanaal ontstaat door het opstapelen van melk. Het niet goed leegdrinken van de borst door een verkeerde aanlegtechniek is hier meestal verantwoordelijk voor. Ook kan knellende kleding of een te kleine bh bijdragen tot een verstopt melkkanaal.

        Een verstopt melkkanaal kan leiden tot een borstontsteking. De oorzaak ligt dan ook meestal in onvoldoende doorstroming van de borst. Ook kan er bij tepelkloven een infectie optreden. De pijn bij het voeden zorgt er dan wellicht voor dat de melk traag toeschiet waardoor er verstopping ontstaat en de borst niet goed geleegd wordt. We geven een overzicht van factoren die moeders vatbaar maakt voor borstontsteking:
        - onregelmatig voeden of te weinig voeden
        - slecht aanleggen waardoor de melk niet goed stroomt
        - een beschadigde tepel, in het bijzonder bij een infectie met Staphylococcus aureus
        - ziekte bij de moeder of de baby
        - overvloedige melkproductie of stuwing
        - zeer snel spenen
        - druk op de borst door een te strakke bh of een strakke autogordel bijvoorbeeld
        - melkblaar, verstopt melkkanaal, Candida-infectie
        - stress en vermoeidheid
        - ontoereikende voeding van de moeder of anemie
        - plots veranderd voedingsschema bijvoorbeeld door het wegvallen van nachtvoeding of het uitstellen van de borstvoeding door afwezigheid van de moeder.
    • Hoe een borstontsteking behandelen?
      • 1. Verbeteren van de doorstroming
        - voortzetten van de borstvoeding: voldoende en lang voeden is essentieel om de doorstroming te verbeteren (best beginnen met de pijnlijke borst)
        - de borst zachtjes masseren tijdens het voeden en evt. afkolven bevordert de doorstroming
        - deskundig advies kan primordiaal zijn in het voorkomen van een borstabces

        2. Pijnverlichting en medicatie
        - toepassen van warmte, voldoende vochtinname
        - Ibuprofen
        - oordeelkundig gebruik van een antibioticum, d.w.z. enkel wanneer:
        • er aanwijzingen zijn voor een bacteriële infectie, of
        • de symptomen vanaf het begin al zeer ernstig zijn, of
        • er een tepelkloof zichtbaar is, of
        • de symptomen niet verbeteren na 12 tot 24uur na het bevorderen van de melkdoorstroming

          Voor de baby heeft een borstontsteking weinig gevolgen. De baby krijgt via de moedermelk antistoffen tegen eventuele bacteriën. Ook bij gebruik van een (geschikt) antibioticum kan de moeder gewoon doorgaan met voeden.
    • Hoe kunnen verstopte melkkanalen en borstontsteking voorkomen worden?
      • Preventie bestaat in de eerste plaats uit een goed borstvoedingsmanagement. Hieronder verstaan we:
        - moeders aanleren om de baby correct aan te leggen
        - het aanmoedigen van voeden op vraag dus geen beperking op duur en frequentie van het voeden
        - te voeden in wisselende houdingen zodat alle melkkanaaltjes goed geleegd worden
        - de doorstroming van de melk niet te belemmeren door te strakke kledij of bh
        - moeders aanleren om af te kolven met de hand wanneer de borsten te vol zijn.
        Daarnaast is het belangrijk om aandacht te hebben voor signalen van melkopstapeling. Dit kan door:
        - moeders te leren om hun borsten te controleren op pijnlijke plekken, pijn of roodheid
        - rust te nemen bij tekens van melkopstapeling, warmte toe te passen en pijnlijke plekken te masseren, de baby extra aanleggen of afkolven
        - moeders aan te raden om gespecialiseerde hulp te zoeken wanneer er binnen 24 uur geen verbetering is.
    • Wat zijn de kenmerken van spruw (schimmelinfectie met Candida Albicans)?
      • Bij de moeder:
        • tepelpijn tijdens en na het voeden na een pijnloze periode, waarbij de pijn niet veroorzaakt wordt door incorrect aanleggen
        • de pijn is brandend of diep stekend en kan doorstralen naar de borstkas/schouders/rug
        • de pijn wordt meestal erger naar het einde van de voeding toe en verergert na de voeding
        • de huid van de tepel kan jeuken, glimmen en/of rood zien met soms witte puntjes of schilfertjes; maar soms zijn er ook geen uiterlijke kenmerken
        • vaak is er een voorgeschiedenis van infecties of antibioticagebruik
        • een infectie kan gepaard gaan met herhaalde borstontstekingen
      • Bij de baby:
        • aan de binnenkant van de wangen of lippen zijn soms witte vlekjes zichtbaar, soms witte aanslag op de tong die niet kan weggeveegd worden met een tissue
        • parelmoerachtige lippen of mondslijmvlies
        • de baby kan branderige en vlekkerige luieruitslag hebben
        • soms winderigheid
        • soms gaat de baby slechter drinken omdat zuigen aan de borst pijn doet
        • mogelijk is de baby asymptomatisch of gaan de symptomen ongemerkt voorbij
      • In geval van zeer ernstige infectie:
        • de infectie kan ook het dieper gelegen borstweefsel bereiken
        • dergelijke infectie gaat gepaard met een brandend en/of stekend gevoel diep in de borst
    • Wat is de oorzaak van spruw?
      • Spruw wordt veroorzaakt door de gist Candida Albicans die aanwezig is op onze huid, in het maag-darmkanaal, in het baringskanaal en in onze omgeving. Deze gist ontwikkelt zich vooral goed in vochtige en warme lichaamszones, zoals in de mond of op de tepel. In sommige omstandigheden zorgt dit voor een infectie. Wanneer er vocht vrijkomt bij beschadigde tepels verandert de Candida Albicans van een onschuldige tot een ziekteverwekkende agent.
        De groei van deze schimmel wordt eveneens gestimuleerd door veelvuldig gebruik van antibiotica.
    • Hoe spruw behandelen?
      • Voor de baby:
        - na elke voeding antischimmelmedicatie aanbrengen in de mond en in de binnenkant van de wangen, het tandvlees en de tong (Daktarin ® orale gel) ook als enkel de moeder symptomen vertoont
        - indien nodig kan de luierzone behandeld worden met Daktozin ®

        Voor de moeder:
        - de moeder moet na elke voeding haar tepels behandelen met Daktarin ® crème en dit tot 14 dagen na het verdwijnen van de symptomen, ook als enkel de baby symptomen vertoont
        - bij ernstige en steeds terugkerende schimmelinfectie wordt een algemene behandeling met Fluconazole aangeraden voor de moeder en evt. ook de baby
        - bij een schimmelinfectie diep in de borst is een behandeling van minimum 3 weken met Fluconazole in voldoende hoge dosis aangewezen

        Bijkomende aanbevelingen voor de moeder:
        - de tepels laten drogen aan de lucht en indien mogelijk ze blootstellen aan zonlicht gedurende een paar minuten, twee maal per dag
        - borstcompressen vervangen zodra ze vochtig zijn, wasbare borstcompressen wassen op 60° of meer
        - intieme zones steeds goed afdrogen
        - volledig katoenen bh’s en ondergoed dragen die zeer warm gewassen kunnen worden
        - vermijden van samen met andere gezinsleden in bad te gaan
        - het gebruik van alcohol, kaas, brood, tarweproducten, suiker en honing beperken
        - dagelijks één tablet acidophilus (melkzuurbacterie) innemen gedurende twee weken na het verdwijnen van de symptomen
        - een condoom gebruiken om te vermijden dat de infectie van partner tot partner wordt doorgegeven
        - goede hygiëne: handen wassen, eventuele (fop)spenen dagelijks 10 minuten koken, speelgoed dat de baby in zijn mondje stopt regelmatig heet afwassen, afkolftoebehoren elke dag 10 minuten koken
        - gebruik zo weinig mogelijk zeep
        - de melk die tijdens de infectieperiode wordt afgekolfd mag vers gegeven worden aan de baby maar wordt beter niet ingevroren voor later gebruik vermits het invriezen de schimmel wel inactiveert maar niet vernietigt en het probleem dan opnieuw zou kunnen beginnen.
        - inmasseren van druppel melk op tepel(s) vermijden

        Algemene opmerkingen:
        - het is mogelijk nodig om alle gezinsleden te behandelen vermits een schimmelinfectie zich snel verspreidt
        - tijdens de behandeling kan de baby verder borstvoeding krijgen
        - wanneer er ook sprake is van een vaginale infectie dient ook deze behandeld te worden
        - het gebruik van antibiotica is niet aangewezen en werkt de groei van de Candida nog in de hand
    • Wat zijn de kenmerken van fysiologische reflux of regurgutatie?
      • Onder fysiologische reflux of regurgitatie verstaan we het onvrijwillig terugvloeien van de maaginhoud naar de slokdarm. De baby heeft hier vaak reeds kort na de geboorte last van. Dit toont zich als volgt:
        - de baby laat voeding uit de mond lopen of geeft kleine hoeveelheden voeding terug, soms de ganse dag door
        - de baby ervaart hiervan over het algemeen weinig hinder
        - de baby huilt niet tijdens of na de maaltijd
        - de baby heeft een goede eetlust
        - de baby heeft een normale groei en ontwikkeling.
    • Wat zijn de mogelijke oorzaken van fysiologische reflux of regurgitatie?
      • Fysiologische reflux kan verklaard worden door de anatomische structuur van de overgang tussen de maag en de slokdarm:
        • het intra-abdominaal slokdarmsegment is na de geboorte nog erg kort wat een goede afsluiting van de slokdarm verhindert, op de leeftijd van 3 maanden is dit slokdarmsegment meestal lang genoeg om voor een goede afsluiting te zorgen
        • bij de geboorte bestaat er nog geen scherpe hoek van His. Dit is de hoek die gevormd wordt tussen de slokdarm en de koepel van de maag en voorkomt reflux bij drugverhoging in de buikholte
        • bij de geboorte is de hoeveelheid spierweefsel in de overgangszone tussen maag en slokdarm soms onvoldoende. Dit neemt toe naarmate de baby ouder wordt zodat er tegen de leeftijd van 6 à 7 weken meestal een goede basale spierspanning aanwezig is.
    • Hoe fysiologische reflux of regurgitatie behandelen?
      • Wanneer duidelijk is dat het om fysiologische reflux gaat, is het belangrijk om aan de ouders uit te leggen dat dit een normaal en voorbijgaand probleem is. De meeste baby’s groeien hier vanzelf uit. Een medicinale behandeling is niet nodig. Wel kunnen een volgende aandachtspunten helpen om de regurgitatie zoveel mogelijk te beperken:
        - de baby rustig laten drinken
        - de baby niet te lang laten huilen voor de voeding
        - op vraag voeden en geen voeding opdringen
        - de baby na de voeding even rechtop houden en de tijd geven om te boeren
        - voor een rustige omgeving zorgen
        - na de voeding de baby zo weinig mogelijk manipuleren zodat de druk op maag en buikholte wordt beperkt (bvb. verluieren voor de borstvoeding)
        - soms kan het helpen om het bedje van de baby aan het hoofdeinde te verhogen
        - voeden in een verticale houding
        - het vroeger opstarten van vaste voeding of overstappen op kunstvoeding wordt niet aanbevolen.
    • Wat zijn de kenmerken van pathologische reflux?
      • Wanneer de regurgitatie echter gepaard gaat met andere symptomen kan het gaan om pathologische reflux of refluxziekte. Symptomen die hierop wijzen zijn:
        de baby weigert de borst of wil net heel vaak drinken
        - de baby laat de borst vaak los tijdens een voeding
        - pijn bij het slikken
        - overstrekken tijdens de voeding
        - veel, ontroostbaar en soms schel huilen
        - de baby wordt onrustig wanneer hij op zijn rug ligt en voelt zich beter wanneer hij rechtop wordt gehouden
        - prikkelbaarheid
        - beperkte groei
        - de baby is erg gespannen en wordt niet graag geknuffeld
        - late aanwijzingen van bloedbraken ten gevolge van slokdarmontsteking
        - ook chronisch hoesten en astma kan samenhangen met refluxziekte.

        Hierbij merken we nog op dat de baby last kan hebben van refluxziekte zonder dat er melk wordt teruggegeven. De melk vloeit dan terug in de slokdarm maar wordt door de baby opnieuw ingeslikt, zgn. ‘verborgen reflux’.
    • Wat zijn de mogelijke oorzaken van pathologische reflux?
      • Terwijl het terugvloeien van melk in de slokdarm op zichzelf niet problematisch is, kan herhaaldelijke en langdurige blootstelling aan maagzuur ervoor zorgen dat de slokdarm geïrriteerd en ontstoken raakt (oesophagitis). Er kunnen inwendige bloedingen ontstaan en de slokdarm kan vernauwd raken.
    • Hoe pathologische reflux diagnosticeren?
      • Het is belangrijk dat nagegaan wordt of het daadwerkelijk om refluxziekte gaat en er geen andere oorzaken zijn voor de symptomen. Om na te gaan of er obstructies zijn in de slokdarm of maag kan een fluoroscopie gedaan worden waarbij de baby een vloeistof moet drinken die zichtbaar wordt met röntgenstralen.
        De meest gebruikte onderzoeksmethode is de endoscopie. Een flexibele endoscoop wordt via de mond in de slokdarm geschoven en laat toe om na te gaan of de slokdarm ontstoken is en of er obstructies of zweren zijn. Bovendien kan men eventueel een biopsie nemen van de slokdarm of de maag zodat deze kan onderzocht worden op aanwezigheid van bepaalde microben of tumoren.
        Om de zuurtegraad in de slokdarm te controleren kan een 24u pH-metrie worden gedaan. Hierbij wordt in de slokdarm een dun buisje ingebracht tot net boven de maag. Het buisje is verbonden met een monitor die de zuurtegraad in de slokdarm alsook de schommelingen hierin registreert.
    • Hoe pathologische reflux behandelen?
      • Wanneer vaststaat dat de symptomen die de baby vertoont toe te schrijven zijn aan pathologische reflux zal meestal een medicinale behandeling nodig zijn. Er kan geopteerd worden voor medicatie die voor zuurremming zorgt, voor prokinetica, of een combinatie van beide.
        Medicatie die voor zuurremming zorgt:
        - Gaviscon®: door de zuurbinding zorgt dit voor een tijdelijke bufferwerking
        - H2-antihistaminca zoals Zantac® (ranitidine) of protonpompinhibitoren zoals Losec® (omeprazol): remmen de maagzuurproductie
        Prokinetica:
        - Motilium® (domperidone): versnelt de motiliteit in slokdarm en maag, en verhoogt de druk op de onderste slokdarmsfincter

        Enkel bij anatomische afwijkingen, wanneer andere behandelingsmethoden niet aanslaan en er verdere complicaties zijn, kan een operatie aangewezen zijn.
    • Wat zijn aandachtspunten voor de borstvoeding bij een baby met pathologische reflux?
      • De moeilijkheden met betrekking tot eten en slapen bij deze kinderen maken een goede begeleiding van de borstvoeding noodzakelijk. Omdat aangetoond is dat sommige kinderen met reflux allergisch zijn voor koemelkeiwit, kan de borstvoedende moeder geadviseerd worden om zuivel te elimineren uit haar dieet en het effect hiervan na te gaan.

        Vaak wordt borstvoedende moeders aangeraden om over te stappen op kunstvoeding. Hierdoor mist de baby echter alle unieke eigenschappen van borstvoeding en wordt de maag zwaarder belast. Het terugvloeien van kunstvoeding is bovendien agressiever voor de slokdarm dan het terugvloeien van lichaamseigen moedermelk.

        Het indikken van afgekolfde moedermelk is niet aangewezen. Hoewel de frequentie van het teruggeven hierdoor kan afnemen, zal de blootstelling van de slokdarm aan maagzuur alleen maar toenemen. De verklaring hiervoor ligt wellicht in de minder snelle vertering van ingedikte melk. Het toevoegen van dikkingsmiddelen aan moedermelk biedt dus geen soelaas. Het specifiek toevoegen van granen blijkt verder erg ineffectief: deze granen worden zeer snel afgebroken door de enzymen in de moedermelk. Bovendien zou het gebruik van granen om moedermelk in te dikken bij kinderen met pathologische reflux, verband houden met hoesten.

        Het kan helpen om de baby rechtop te voeden, maar vermijd om hem in een autostoel of kinderstoel te zetten na de voeding. Hierdoor verhoogt de druk op het middenrif, wat reflux in de hand werkt.

        Mogelijk is de baby erg onrustig en vraagt hij heel vaak de borst. Soms ontstaat er een vicieuze cirkel: onrust – korte voeding – meer onrust door een volumineuze voeding met een hoog lactose- en een laag vetgehalte. Hierbij is het aangewezen dat de moeder één borst per voeding geeft (in blokken van bijvoorbeeld drie uur), zodat de baby minder maar vetrijkere melk krijgt.
    • Wat zijn de kenmerken van pylorushypertrofie?
      • Pyloriushypertrofie of pylorusstenose toont zich als volgt:
        - projectielbraken onmiddellijk na de voeding
        - beginnend vanaf een paar weken na de geboorte
        - neemt progressief toe
        - Dit klinisch beeld is meestal duidelijk te onderscheiden van de ‘gewone’ regurgitatie, en komt vooral voor bij jongens. Soms houdt de baby zo weinig melk binnen dat de groei achterblijft en de baby uitdrogingsverschijnselen krijgt.
    • Wat zijn de oorzaken van pylorusypertrofie?
      • Het normale maagledigingsproces is verstoord doordat de ingang van de maag (pylorus) niet goed of niet op het juiste moment opengaat zodat de druk in de maag oploopt en de maaginhoud krachtig weer uit de mond spuit. De oorzaak hiervoor is onbekend.
    • Hoe pylorushypertrofie diagnosticeren?
      • De diagnose wordt gesteld op basis van de anamnese en een klinisch onderzoek waarbij de pylorische massa palpeerbaar is en er postprandiaal een duidelijk zichtbare maagperistaltiek is. Bij een deskundige palpatie is er een olijfvormig zwellinkje voelbaar. De diagnose kan bevestigd worden door een echografie.
    • Hoe pylorushypertrofie behandelen?
      • Hierbij is steeds een operatieve ingreep (pylorotomie) nodig.
    • Wat zijn aandachtspunten voor de borstvoeding bij een baby met pylorushypertrofie?
      • Na de operatie kan de baby onmiddellijk terug op vraag gevoed worden. Er is aangetoond dat dit de lengte van het ziekenhuisverblijf significant inkort. Wanneer er bij het voorbereiden van de operatie en tijdens de operatie zelf voedingen worden overgeslaan zal de moeder moeten afkolven om de melkproductie op peil te houden.
  • Borstvoeding geven aan een meerling
    • Wat zijn de specifieke voordelen van borstvoeding geven aan een meerling?
      • De unieke eigenschappen van moedermelk bieden belangrijke voordelen bij een meerling. Allereerst biedt moedermelk een optimale voeding en immunologische bescherming voor deze baby’s die vaak prematuur geboren worden of andere gezondheidsproblemen hebben. Ook laat borstvoeding toe dat de moeder zeer regelmatig intens contact heeft met elk van de baby’s. Afhankelijk van de voorgeschiedenis (scheiding na de geboorte) voelen moeders soms een lichte voorkeur voor één van de baby’s. Door borstvoeding krijgen beide baby’s veel lichaamscontact en is het gemakkelijker om zich als moeder op allebei betrokken te voelen. Midden in de drukte bieden de voedingsmomenten de moeder bovendien een uitgelezen kans om even te zitten of te liggen. De borstvoedingshormonen werken daarbij ontspannend voor de moeder.
    • Zal er voldoende melkproductie zijn om meer dan één baby te voeden?
      • Heel wat moeders zijn bezorgd dat ze niet voldoende melk zullen produceren om meer dan één kind te voeden. Net als bij een eenling wordt de melkproductie echter gereguleerd door het principe van vraag en aanbod en zal het regelmatig aanleggen van de baby’s ervoor zorgen dat er voldoende melk wordt aangemaakt voor elk van de baby’s. Als de baby’s vanaf het begin bij elke voeding aan de borst drinken is bijvoeding niet nodig. Indien dit niet mogelijk is (bijvoorbeeld door de conditie van de moeder) wordt bijvoeding bij voorkeur niet met een flesje gegeven.
    • Worden de baby’s best gelijktijdig of apart gevoed?
      • Kort na de geboorte is het meestal aangewezen om elk van de baby’s individueel te voeden zodat er voldoende aandacht kan zijn voor het correct aanleggen aan de borst.
        Het gelijktijdig voeden van de baby’s kan een flinke tijdsbesparing vormen, maar moeders hebben vaak wat tijd nodig om hier handig in te worden. In het begin is het vaak ook nodig dat iemand de hoofdjes van de baby’s ondersteunt wanneer de moeder beide baby’s wil aanleggen. Sommige moeders verkiezen om de baby’s apart te voeden, zodat ze de kans hebben om met elke baby afzonderlijk wat tijd door te brengen. Meest voorkomend is dat de moeders het gelijktijdig en apart voeden afwisselen.

        Moeders stellen zich ook vaak de vraag wanneer ze van borst moeten wisselen. In principe is ieder ‘rotatiesysteem’ goed, zolang elk van de baby’s op vraag wordt gevoed. Aanvankelijk wisselen de baby’s per voeding of per dag van borst om de melkproductie gelijkmatig te stimuleren. Sommige moeders vinden het handig om elke baby een borst toe te wijzen. Voor jonge baby’s is het echter ook belangrijk om regelmatig van kant te wisselen. Dit om zijn motorische ontwikkeling te stimuleren en scheefgroei van het hoofdje te voorkomen.
    • Welke verschillende voedingshoudingen zijn er mogelijk?
      • Wanneer men de baby’s gelijktijdig wil voeden zijn er verschillende houdingen mogelijk. Zoals steeds is het belangrijk dat de moeder comfortabel zit. Men kan een speciaal borstvoedingskussen voor meerlingen gebruiken. Dit kussen is langer en breder dan een gewoon borstvoedingskussen.

        Riordan, J. (2005). Breastfeeding and Human Lactation. Massachusetts: Jones and Bartlett Publishers.

        A. Rugbyhouding of bakerhouding
        Beide baby’s drinken in rugbyhouding. De moeder kan beide hoofdjes goed ondersteunen met haar handen (het achterhoofd niet vasthouden!) en de beentjes van de baby’s liggen onder de armen van de moeder doorgeschoven.

        B. Kruishouding
        Hierbij liggen beide baby’s in madonnahouding en liggen de beentjes van de ene baby over de andere baby heen.

        C. Parallelhouding
        Hierbij wordt één baby in madonnahouding gevoed, terwijl de andere baby in rugbyhouding wordt gevoed.
    • Kan borstvoeding en kunstvoeding gecombineerd worden?
      • Ja.
        Sommige moeders van een meerling kunnen ervoor kiezen om gedeeltelijk borstvoeding te geven en bij te voeden met kunstvoeding, of hiertoe genoodzaakt zijn doordat complicaties bij de geboorte het opstarten van de borstvoeding bemoeilijkt hebben. Het kan gaan om het geven van een extraatje aan de baby, of om het systematisch vervangen van één of meerdere borstvoedingen. Wanneer de moeder hiervoor kiest is dit meestal ingegeven door een behoefte aan rust of een aantal uren ononderbroken slaap. Belangrijk is dat de moeder verteld wordt dat ze dit ook (en bij voorkeur) kan doen door wat afgekolfde melk aan haar baby’s te (laten) geven. Als de moeder toch opteert voor kunstvoeding dient ze te weten wat de nadelen voor de baby zijn en dat haar melkproductie hierdoor zal verminderen.
  • Zwangerschap en borstvoeding
    • Is het mogelijk om borstvoeding te blijven geven tijdens een nieuwe zwangerschap?
      • Ja.
        In normale omstandigheden is het lichaam van de vrouw in staat om zowel voor de groeiende vrucht als voor de melkproductie te zorgen. Het is belangrijk dat de moeder weet dat de zwangerschap niet te lijden heeft onder de borstvoeding, en dat de moedermelk niet ‘schadelijk’ of kwalitatief minder goed is omdat ze zwanger is.
        Moeders die blijven voeden tijdens de zwangerschap worden aangeraden om voor gezonde voeding te zorgen en eventueel een vitaminesupplement te nemen.

        Wanneer de moeder echter een voorgeschiedenis heeft van vroeggeboorte, herhaalde spontane abortus, cervixinsufficiëntie, of wanneer het om een meerlingzwangerschap gaat of er andere indicaties voor een vroeggeboorte zijn, is deskundig advies aangewezen bij het beslissen om al dan niet verder te voeden tijdens de zwangerschap.
    • Wat zijn de implicaties van een nieuwe zwangerschap voor de huidige borstvoeding?
      • Wanneer de baby nog maar een paar maanden oud is wanneer de moeder opnieuw zwanger is, drinkt hij nog een aanzienlijke hoeveelheid melk. Het is dan belangrijk dat de moeder kan rekenen op voldoende rust, gezonde voeding en steun van haar omgeving. Bij een groter kind wordt er fysiek minder van de moeder gevergd. Het oudste kind drinkt dan niet meer zo veel melk en de borstvoeding heeft veeleer een emotionele functie. In dit geval stellen zich meestal weinig moeilijkheden.

        Voeden tijdens de zwangerschap heeft echter een aantal gevolgen waarmee men eveneens rekening dient te houden:
        - hormonale veranderingen kunnen zorgen voor acute pijn in de tepels of borsten
        - hormonale veranderingen vroeg in de zwangerschap kunnen voor vermoeidheid zorgen
        - vaak neemt de melkproductie, alsook het aantal voedingen tijdens de zwangerschap af (vooral in het begin, later werkt het systeem van vraag en aanbod weer als voordien); hierdoor gaan sommige kinderen zich in deze periode zelf spenen
        - de veranderde hormoonhuishouding zorgt voor een verlaagd lactose-gehalte en een verhoogd natrium-gehalte, waardoor de smaak van de moedermelk verandert
        - vrouwen die voeden ervaren uteriene contracties; op voorwaarde dat er geen risico op vroeggeboorte aanwezig is, zijn hier geen gevaren aan verbonden.
    • Wat is tandemvoeden?
      • Onder tandemvoeden verstaan we het voeden van een baby terwijl ook nog een ouder kind aan de borst drinkt. Dat het oudere kind aan de borst mag blijven drinken wanneer er een nieuwe baby komt, maakt dat hij de baby gemakkelijker zal aanvaarden en er minder jaloezie zal zijn.

        Net zoals wanneer de moeder geen ouder kind meer aan de borst zou hebben, zal zij na de bevalling voldoende colostrum produceren en zal de melk langzaam overgaan in rijpe moedermelk. Het is echter wel nodig dat de pasgeboren baby steeds als eerste kan drinken omdat het colostrum voor hem van groot belang is. Het is best om niet één borst per kind te reserveren, maar van borst te wisselen.

        Er kunnen verschillende voedingspatronen uitgeprobeerd worden, zoals de baby en het oudere kind tegelijk voeden, variëren wie wanneer gedurende de dag wordt gevoed of het oudere kind vaste voedingstijden geven waarop het kan rekenen, totdat duidelijk is wat best werkt.
  • Spenen
    • Hoe kan men een kind best spenen?
      • Idealiter wacht men met spenen tot het kind zelf aangeeft dat het hier klaar voor is en zowel op emotioneel als nutritioneel vlak geen of minder behoefte heeft aan borstvoeding. Een kind zal zichzelf pas spenen op het moment dat hij de meeste voedingsstoffen via vaste voeding krijgt en al goed uit een kopje kan drinken. Hij bouwt zelf het aantal borstvoedingen af. Wanneer het kind de kans wordt gegeven om zichzelf te spenen, zal dit ergens tussen het tweede en vierde levensjaar plaatsvinden. Het is erg onwaarschijnlijk dat een kind jonger dan 18 à 24 maanden zich uit zichzelf zal gaan spenen zonder dat hij hiertoe wordt aangemoedigd door de moeder.
        Het natuurlijk speenproces verloopt erg geleidelijk. Gedurende verschillende maanden vraagt het kind steeds een voeding minder. De moeder volgt de signalen van de baby waardoor de baby op eigen tempo kan wennen aan andere voedingsmanieren.
    • Wat zijn aandachtspunten bij het vroeg afbouwen van de borstvoeding op initiatief van de moeder?
      • Wanneer de moeder de borstvoeding wil of moet stopzetten vooraleer de baby aangeeft hier klaar voor te zijn, is het erg belangrijk om dit geleidelijk aan te doen. Dit stelt zowel moeder als baby in staat om zich aan te passen aan de nieuwe situatie. Terwijl dit voor de moeder van belang is om verstopte melkkanaaltjes en een borstontsteking te voorkomen, laat het voor het kind toe dat andere vormen van voeding, affectie en aandacht langzaam de borstvoeding kunnen compenseren. Dit geleidelijk spenen laat ook toe dat de concentratie aan antistoffen in de moedermelk kan toenemen, zodat het kind nog een laatste extra bescherming meekrijgt.
        Best kan men één voeding tegelijk minderen. Na een aanpassingsperiode van een kleine week en wanneer de moeder geen last heeft van pijnlijke stuwing, kan vervolgens opnieuw een borstvoeding worden vervangen. Een evenwichtige spreiding van de resterende voedingen over 24 uur is aangewezen (bijvoorbeeld in eerste instantie de ochtend- en avondvoeding behouden). Vaak is veel geduld en flexibiliteit van de moeder nodig. Belangrijk is ook om doorheen de dag wat extra affectie en aandacht aan het kind te geven. Borstvoeding is namelijk meer dan voeding alleen en voorziet ook in emotionele behoeften van het kind.
        Abrupt stoppen met borstvoeding is slechts in zeer uitzonderlijke gevallen nodig, en vereist goede begeleiding om verstopte melkkanaaltjes en borstontsteking te voorkomen.
        Verder is het niet aangewezen om te starten met het afbouwen van de borstvoeding op een moment dat de baby ziek is of er andere problemen zijn.
    • Wat te doen bij flesweigering?
      • Voor de meeste baby’s die borstvoeding krijgen duurt het een tijdje vooraleer ze aan de fles willen of kunnen drinken. Het drinken aan een flesje vereist immers andere mond- en tongbewegingen dan het drinken aan de borst. Sommige baby’s weigeren de fles echter resoluut. In wat volgt geven we een aantal tips die in deze situatie kunnen helpen.
        - Bied het flesje wat eerder aan dan het gewoonlijke voedingsmoment, zodat de baby geïnteresseerd is maar niet zo hongerig dat hij gefrustreerd raakt.
        - Bied het flesje eens aan wanneer de baby slaperig is.
        - Laat iemand anders het flesje geven. Wanneer de moeder dit doet zal de baby de moeder zien en ruiken, en niet begrijpen waarom hij geen borstvoeding krijgt.
        - Wanneer iemand anders het flesje geeft, is het beter dat de moeder niet in huis is zodat de baby haar niet kan ruiken.
        - Gebruik evt. een speentje dat lijkt op de fopspeen van de baby.
        - Probeer verschillende speentjes uit. Sommige baby’s prefereren een snelle toevloed van de melk, andere een trage.
        - Verwarm het speentje met warm water om het wat aangenamer te maken.
        - Breng wat moedermelk aan op het speentje. Wanneer de baby dit proeft zal hij mogelijk beginnen te zuigen om meer te krijgen.
        - Laat de baby spelen met het speentje zodat hij er vertrouwd mee raakt.
        - Probeer de baby in een andere houding te voeden, bijvoorbeeld in een kinderstoel, rechtop, zodat je hem kan aankijken bij het voeden.
        - Probeer de baby af te leiden op het moment dat hij de fles krijgt, door rond te wandelen, tegen hem te praten, te wiegen.
        - Als een moeder weet dat ze haar baby af en toe voeding zal moeten geven met de fles, omdat ze terug gaat werken bijvoorbeeld, dan kan ze vanaf de leeftijd van 6 weken à 3 maanden af en toe wat moedermelk in een flesje geven. Zo kan de baby wennen aan het drinken van een flesje.

        Wat werkt bij de baby is erg individueel en het blijft zoeken. Belangrijk is echter om geduldig te blijven en de baby niet te dwingen of te forceren. Dit werkt aversie in de hand en maakt het probleem enkel erger. Wanneer de baby de fles drie keer weigert, is het beter om het erbij te laten en later opnieuw te proberen. Wel is het goed om de baby daarna niet onmiddellijk borstvoeding te geven, maar eerst iets anders te doen zodat de baby het weigeren van de fles niet beloond ziet met drinken aan de borst.
        Een alternatief is om de baby niet met de fles te voeden maar hem te leren om aan een kopje of bekertje te drinken. Ook een melkpapje (vb. moedermelk met meel) met een lepeltje kan een oplossing zijn voor een moeder die moet gaan werken.





GERAADPLEEGDE BRONNEN

Bailey, D.J., Andres, J.M., Danek, G.D., and V.M. Pineiro-Carrero (1987). Lack of efficacy of thickened feeding as treatment for gastroesophageal reflux. The Journal of Pediatrics, 110, pp. 187-189.

Bonyata, K., Becky, F. and P. Yount (2001). Weaning: How does it happen?http://www.kellymom.com/bf/weaning/how_weaning_happens.html

Buss, I.H., McGill, F., Darlow, B.A. and C.C. Winterbourn (2001). Vitamin C is reduced in human milk after storage. Acta Paediatrica, 90, pp. 813-815.

Adams, J. & A. Dedry (2006). Succesvol borstvoeding geven in Vlaanderen. Kan het? Leuven: De Bakermat.

de Reede, A. (2003). Begeleiding bij borstvoeding. Wijk bij Duurstede en Krimpen aan de Lek: Vereniging Borstvoeding Natuurlijk en Stichting Zorg voor Borstvoeding.

De Ronne, N. (z.d.). Voedingsproblemen bij zuigelingen en peuters. Brussel: Kind en Gezin.

La Leche League International (2002). Handboek lactatiebegeleiding. Utrecht: Uitgeverij Lemma.

Lawrence, R. (1994). Breastfeeding: a guide for the medical profession, 4th ed. St. Louis: Mosby.

Moscone, S.R. and M.J. Moore (1993). Breastfeeding during pregnancy. Journal of Human Lactation, 9, pp. 83-88.

Orenstein, S.R., Shalaby, T.M. and P.E. Putnam (1992). Thickened feedings as a cause of increased coughing when used as a therapy for gastroesophageal reflux in infants. The Journal of Pediatrics, 121 (6), pp. 913-915.

Pardou, A., Serruys, E., Mascart-Lemone, F., Dramaix, M. and H.L. Vis (1994). Human milk banking : influence of storage processes and of bacterial contamination on some milk constituents. Biology of the neonate, 65, pp. 302-309.

Quan, R., C. Yang, Rubinstein, S., Lewiston, N.J., Sunshine, P.,Stevenson, D.K. and J.A. Jr. Kerner (1992). Effects of microwave radiation on anti-infective factors in human milk. Pediatrics, 89 (4 Pt 1), pp. 667-669.

Riordan, J. (2005). Breastfeeding and Human Lactation. Massachusetts: Jones and Bartlett Publishers.

SEIN (2002). Onderzoek naar de voedingssituatie van jonge kinderen. Diepenbeek: SEIN.

Sigman, M., Burke, K.I., Swarner, O.W. and G.W. Shavlik (1989). Effects of microwaving human milk: changes in IgA content and bacterial count. Journal of the American Dietetic Association, 89, pp. 690-692.

The Academy of Breastfeeding Medicine (2004). Clinical Protocol n° 12: Transition to Breastfeeding/Breastmilk-fed Premature Infant from the Neonatal Intensive Care Unit to Home. >http://www.bfmed.org

The Academy of Breastfeeding Medicine (2002). Clinical Protocol n° 4: Mastitis. http://www.bfmed.org/

The American Academy of Pediatrics (2005). Policy statement. Breastfeeding and the use of human milk. Pediatrics, 115 (2), pp. 496-506. http://aappolicy.aappublications.org/cgi/content/full/pediatrics;115/2/496

Van der Wijden, C., Kleijen, J., Van den Berk, T. (2003). Lactational amenorrhea for family planning. The Cochrane Database of Systematic Reviews, 4. Art. No.: CD001329.

World Health Organization (1998). Evidence for the Ten Steps to Successful Breastfeeding. WHO/CHD/98.9. Geneva: WHO.
http://www.who.int/child-adolescent-health/New_Publications/NUTRITION/WHO_CHD_98.9.pdf.

World Health Organization (z.d.). Nutrition. Infant and Young Child. Exclusive Breastfeeding. Geneva. http://www.who.int/child-adolescent-health/NUTRITION/infant_exclusive.htm.


World Health Organization (2000). Mastitis. Causes and Management, p. 1. WHO/FCH/CAH/00.13. Geneva: WHO. http://www.who.int/reproductive-health/docs/mastitis/mastitis.pdf.







Copyright © De Bakermat vzw ~ Redingenstraat 27, 3000 Leuven | Contact | Partnersites |