|
Wegwijs Borstvoeding • Vraagbaak
- Anatomie en fysiologie van borstvoeding
- Kan een moeder van wie de borsten niet groeien
tijdens de zwangerschap borstvoeding geven?
- Ja.
Tijdens de zwangerschap zorgt een toename van het melkklierweefsel
ervoor dat de borsten zwaarder worden en de bloedvaten
beter zichtbaar zijn. Door hoge concentraties prolactine
en human placental lactogen verandert de borst in een
melkproducerende klier.
Er is echter veel variatie in toename van het melkklierweefsel.
Bij sommige vrouwen worden de borsten al beduidend zwaarder
tijdens het eerste trimester van de zwangerschap, terwijl
er bij andere een geleidelijke toename is doorheen de
hele zwangerschap of helemaal geen groei wordt vastgesteld
tot net voor of na de partus. De toename van de borstomvang
tijdens de zwangerschap is dan ook niet altijd bepalend
voor de mogelijkheid om borstvoeding te geven of de hoeveelheid
melk die de borsten kunnen aanmaken (zie ook vraag ‘Kan
een moeder met kleine borsten borstvoeding geven’?)
- Kan een moeder met kleine borsten borstvoeding
geven?
- Ja.
Zoals in alle biologische systemen zijn bij borstvoeding
anatomie (vorm) en fysiologie (functie) onlosmakelijk
met elkaar verbonden. De functionele capaciteit van
de menselijke borst wordt echter niet volledig gedetermineerd
door de vorm. Borstomvang blijkt dan ook een slechte
voorspeller te zijn voor de mogelijkheid om borstvoeding
te geven.
We dienen echter wel een onderscheid te maken tussen kleine
borsten en hypoplasie, waarbij de borsten duidelijk onderontwikkeld
zijn. Dit kan voorkomen wanneer jonge vrouwen veel anovulatoire
cycli hebben. In geval van ernstige hypoplasie kan er
wel sprake zijn van onvoldoende melkproductie.
- Welke tips geef ik een moeder met polymastie (bijkomende
borstweefsel, meestal onder de oksel)?
- Wanneer er melkklierweefsel aanwezig is in dit borstweefsel
ondergaat dit weefsel tijdens de zwangerschap en lactatie
dezelfde veranderingen als de normale borst. Dit kan behandeld
worden met ijscompressen, koude koolbladeren, orale analgesie
of andere anti-inflammatoire medicatie. Na de periode
van het opstarten van de borstvoeding en de stuwing zal
dit borstklierweefsel atrofiëren en geen problemen
meer geven tijdens de lactatieperiode.
- Zorgt polythelie (of bijkomende tepels zonder
borstweefsel) voor problemen bij de borstvoeding?
- Nee.
Deze tepels kunnen zich eender waar op het lichaam langs
de embryonale melklijnen bevinden en vereisen geen behandeling.
- Kan een moeder met vlakke tepels borstvoeding
geven?
- Ja.
Vlakke tepels komen voor bij 10 tot 35% van de bevolking
en vormen geen probleem bij borstvoeding. Omdat tepels
opgebouwd zijn uit erectiel spierweefsel zullen ze bij
manipulatie meer naar voren komen, maar ook wanneer
dit minimaal is hoeft dit niet problematisch te zijn.
De baby neemt immers niet alleen de tepel maar ook het
omliggende weefsel in de mond waardoor de vorm van de
tepel van ondergeschikt belang is.
- Kan een moeder met ingetrokken tepels borstvoeding
geven?
- We spreken van ingetrokken tepels wanneer de tepel(s) – bilateraal
of unilateraal – in de borst weg kruipen bij manipulatie.
Dit komt voor bij ongeveer 3% van de vrouwen. Soms is
het mogelijk dat de baby de tepel naar buiten zuigt, of
zijn mechanische hulpmiddelen nodig. Deskundig advies
is in deze situatie aangewezen.
De ernst van ingetrokken tepels vermindert vaak na enkele
weken borstvoeding of kolven. Mits goede begeleiding en
motivatie in de eerste weken kan de borstvoeding dan zeer
goed verlopen.
- Kan een moeder die eerder een borstvergroting
onderging nog borstvoeding geven?
- Over het algemeen geeft een borstvergroting weinig problemen
bij borstvoeding. Iedere situatie dient echter individueel
geëvalueerd te worden.
Bij een borstvergroting wordt een implantaat achter het
borstweefsel of achter de borstspier ingebracht. In principe
wordt niet aan het melkklierweefsel geraakt en kan de
melkproductie dus op gang komen. Wanneer er een insnijding
gemaakt werd in de buurt van de areola kan dit echter
problemen veroorzaken bij het toeschieten van de melk.
Een borstoperatie kan er ook voor zorgen dat de gevoeligheid
van de zenuwen tijdelijk toe- of afneemt. Als de borstvergroting
gebeurde omwille van onvoldoende borstontwikkeling en
er van nature te weinig melkklierweefsel aanwezig was,
is een problematische melkproductie hieraan te wijten
en niet aan de borstchirurgie. Sommige moeders met silicone
implantaten zijn bezorgd om het effect hiervan op de gezondheid
van hun baby. Onderzoek heeft echter aangetoond dat het
siliconegehalte in moedermelk bij deze moeders niet hoger
ligt dan bij moeders zonder implantaten. Meldenswaardig
hierbij is overigens dat het siliconegehalte in koemelk
ongeveer tien keer hoger ligt dan in moedermelk, en het
gehalte in kunstvoeding zelfs nog hoger is.
- Kan een moeder die eerder een borstverkleining
onderging nog borstvoeding geven?
- De vraag of moeders na een borstverkleining nog volledig
borstvoeding kunnen geven is individueel te evalueren.
Een evaluatie kan pas gemaakt worden na het opstarten
van de borstvoeding. Het slagen van de borstvoeding zal
afhankelijk zijn van de hoeveelheid melkklierweefsel dat
nog aanwezig is, van de verbinding van de melkkanalen
met de tepel en de bezenuwing van het tepelhof. Sommige
moeders slagen er toch in de baby volledig of gedeeltelijk
borstvoeding te geven of voeden met één
borst. Vaak is de melkproductie echter ontoereikend om
de baby volledig te voeden en/of is er onvoldoende toeschietreflex
door beschadiging van de bezenuwing rond het tepelhof.
Bij een borstverkleining worden vaak aanzienlijke hoeveelheden
borstklierweefsel weggenomen, de melkkanaaltjes worden
beschadigd en er kan een insnijding rond de areola gemaakt
worden waardoor de toeschietreflex problematisch wordt.
Wanneer bij het verplaatsen van de tepel bovendien de
verbinding tussen klierweefsel en tepeluitgangen wordt
verbroken, wordt de kans op succesvolle borstvoeding kleiner.
- Kan een moeder bij wie een knobbeltje of cyste
in de borst werd verwijderd nog borstvoeding geven?
- Wanneer het nodig is om een knobbeltje of cyste te verwijderen
zijn de gevolgen voor de borstvoeding afhankelijk van
de plaats van incisie. Meestal is er echter geen hinder
voor de borstvoeding. Tijdens de borstvoedingsperiode
zijn de borsten wel moeilijker te onderzoeken op knobbeltjes,
maar dit zou artsen niet mogen aanzetten tot het advies
om de borstvoeding af te bouwen.
- Welke hormonen spelen een rol bij borstvoeding?
- De belangrijkste borstvoedingshormonen zijn oestrogeen,
progesteron, prolactine en oxytocine.
Oestrogeen
Tijdens de zwangerschap zorgt een toename van oestrogeen
ervoor dat de groei en werking van het melkgangenstelsel
gestimuleerd wordt. Bij de bevalling daalt het oestrogeengehalte
en blijft laag tijdens de eerste maanden postpartum.
Progesteron
Het progesterongehalte blijft gedurende de hele zwangerschap
hoog en is nodig voor de ondersteuning van de zwangerschap.
Dit hormoon zorgt ervoor dat de melk die reeds tijdens
de zwangerschap wordt aangemaakt op basis van prolactine,
niet vrijkomt. Na de bevalling is er een sterke daling
van het progesteron. Deze daling zorgt er samen met het
hoge prolactinegehalte voor dat de lactogenese wordt ingezet.
Prolactine
Prolactine speelt zowel bij de start van de lactatie als
voor het onderhouden van de melkproductie een belangrijke
rol. Zonder prolactine zal er geen melkproductie kunnen
plaatsvinden.
Naarmate het prolactinegehalte toeneemt tijdens de zwangerschap
komen de alveoli en melkkanalen tot volle ontwikkeling.
De sterke daling van oestrogeen en progesteron bij de
bevalling zorgt ervoor dat de hypofyse niet langer geïnhibeerd
wordt en grote hoeveelheden prolactine kan vrijgeven.
Tijdens de borstvoeding zorgt het zuigen van de baby voor
een stimulatie van de zenuwbanen in de tepel. Hierdoor
wordt bijkomende prolactine vrijgegeven. Als reactie op
het vrijgekomen prolactine maken de alveoli melk aan.
Oxytocine
Het hormoon oxytocine is essentieel voor het verderzetten
van de lactatie. Het veroorzaakt niet alleen de melk-ejectie-
of toeschietreflex, maar zorgt eveneens voor contracties
van de uterus. Dit zorgt ervoor dat de uterus sneller
inkrimpt en overmatige bloedingen worden tegengegaan.
Oxytocine wordt tijdens elke voeding aangemaakt en dit
tijdens de hele lactatieperiode.
- Hoe verloopt de lactogenese (overgang van zwangerschap
naar lactatie)?
- De overgang van zwangerschap naar lactatie (lactogenese)
doorloopt verschillende fases: lactogenese I, lactogenese
II en lactogenese III.
Lactogenese I
De mogelijkheid van het melkklierweefsel om melk af te
scheiden vanaf 15 à 20 weken na de conceptie tot
dag 2 postpartum wordt lactogenese I genoemd. Tijdens
deze fase wordt de functionele ontwikkeling en de melkproductie
gestimuleerd door prolactine.
Lactogenese II
De fase van overvloedige melkproductie die loopt van dag
2 of 3 tot dag 8 postpartum is lactogenese II. Deze fase
wordt 30 à 40 uur na de geboorte en verwijdering
van de placenta ingezet onder invloed van enerzijds de
hoge prolactineconcentratie (essentieel voor lactatie)
en anderzijds de daling van progesteron (melkafscheiding
wordt niet langer geblokkeerd). Hoewel dit proces vroeger
van start gaat, voelt de moeder het pas na 50 à 73
uur na de geboorte.
In deze fase verandert de melk ook van samenstelling.
Het colostrum bevat hoge concentraties natrium, chloride
en immuunstoffen. Vlak na de geboorte en voor de toename
van het melkvolume begint het natrium- en chloorgehalte
af te nemen, en neemt het lactosegehalte toe. Hoewel de
concentratie aan bepaalde immuunstoffen licht afneemt
bij de toename van het melkvolume in lactogenese II, gaat
het nog steeds om substantiële hoeveelheden immuunstoffen.
Op dag 4 is de samenstelling van de melk reeds te vergelijken
met rijpe moedermelk.
Lactogenese III
Onder lactogenese III verstaan we het onderhouden van
de melkproductie. Zolang er melk wordt afgenomen door
de baby, zal de melkproductie worden verder gezet. Terwijl
lactogenese I en II - die endocrien gestuurd worden -
zich bij alle pasbevallen moeders voordoen, ongeacht of
er borstvoeding wordt gegeven, start lactogenese III enkel
bij voedende moeders vermits de melkproductie in deze
fase afhankelijk is van de vraag.
- Wat is het verschil tussen autocriene en endocriene
controle van de melkproductie?
- Lactogenese I en II worden gekenmerkt door een uniek
samenspel van hormonen, met andere woorden: de melkproductie
wordt endocrien gecontroleerd. Tijdens de lactogenese
III wordt de melkproductie niet langer hormonaal gecontroleerd,
maar verloopt ze autocrien, d.w.z. onder invloed van vraag
en aanbod. Voor een goede melkproductie is het van belang
dat er regelmatig gevoed wordt.
- Wat is de functie van de toeschietreflex?
- De melk-ejectie-reflex of toeschietreflex zorgt ervoor
dat de melk beschikbaar wordt voor de baby. Door het zuigen
van de baby aan de borst worden de zenuwuiteinden in de
tepel en areola gestimuleerd. De zenuwimpuls die hierbij
gegeven wordt loopt naar de hypothalamus waardoor oxytocine
wordt afgegeven door de hypofyse-achterkwab. Onder invloed
van oxytocine trekken de spiercellen rondom de alveoli
vrijwel direct samen. Deze samentrekking zorgt ervoor
dat de melk die zich in de alveoli bevindt in de melkkanalen
en verder in de tepel gestuwd wordt.
- Hoe kan je merken dat de melk toeschiet?
- Dat er sprake is van een toeschietreflex wordt duidelijk
wanneer er melk uit de borst druppelt of spuit. Wanneer
de baby aan de borst zuigt kan een toeschietreflex ook
worden vastgesteld aan de hand van een veranderd zuigpatroon
waarbij men de baby ongeveer iedere seconde duidelijk
kan horen slikken, en waarbij zuigen, slikken en ademen
elkaar afwisselen. Meerdere toeschietreflexen binnen een
voeding zijn mogelijk, hoewel de moeder meestal enkel
de eerste toeschietreflex zal voelen.
- Kan de toeschietreflex voor pijn zorgen?
- Ja. De toeschietreflex kan bij de moeder zorgen voor:
- een moment van scherpe pijn in de borst
- een gevoel van volle of gespannen borsten
- een tintelend gevoel binnen in de borst.
- Wat te doen wanneer de toeschietreflex uitblijft?
- Wanneer de melk moeilijk toeschiet kan massage of warmte
helpen. Bij aanhoudende problemen kan de neusspray Syntocinon
helpen. Deze spray bevat oxytocine en kan hierdoor de
toeschietreflex opwekken.
Er is ook een psychologische component aan de toeschietreflex
verbonden. Ook emoties kunnen immers het toeschieten van
de melk positief of negatief beïnvloeden.
Oxytocine kan vrijkomen bij:
- het horen huilen van een baby
- het denken aan de baby
- de gedachte aan het voeden
- het naderen van het voedingsmoment.
- Anderzijds kan het vrijkomen van oxytocine worden verhinderd
door:
- Als gezondheidswerker is het dus van belang om ook bedacht
te zijn op deze psychologische aspecten. Op deze manier
is het mogelijk om actief in te spelen op situaties die
de toeschietreflex bevorderen, of aandacht te hebben voor
het verlichten van spanningen.
- Hoe evolueert de samenstelling van de moedermelk
doorheen de lactatieperiode?
- De samenstelling van moedermelk is niet constant maar
varieert naargelang het stadium van de lactatie, de leeftijd
van het kind, het borstvoedingspatroon, het verloop van
de voeding, en het seizoen.
Het meest bekende voorbeeld hiervan is de unieke samenstelling
van colostrum, dit is de moedermelk van de eerste dagen
postpartum. Colostrum bevat in vergelijking met rijpe
moedermelk meer eiwitten en mineralen enerzijds, en minder
koolhydraten, vetten en bepaalde vitamines anderzijds.
Bij de overgang van colostrum naar rijpe moedermelk neemt
de concentratie immunoglobulines of antistoffen af. Toch
blijft de dagelijkse totale hoeveelheid immunoglobulines
die via de moedermelk aan het kind wordt doorgegeven constant
doorheen de lactatieperiode. De hoeveelheid melk die de
baby drinkt neemt immers toe wanneer de concentratie daalt
en wanneer het melkvolume later weer afneemt, zal de concentratie
aan immunoglobulines opnieuw toenemen.
Na enkele dagen postpartum verandert het dikke, romige
en gelige colostrum in dunnere, rijpe moedermelk die wit
of soms blauw-wit van kleur is. De overgang van colostrum
naar overgangsmelk en verder naar rijpe moedermelk verloopt
geleidelijk, waardoor het in feite niet om drie duidelijk
onderscheiden stadia gaat maar om fases van een continuüm.
- Wat is het verschil tussen voor- en achtermelk?
- Doorheen de voeding gaat de melk over van voormelk naar
achtermelk. Er bestaan veel misverstanden over het gebruik
van de termen ‘voor- en achtermelk’. De melk
die ter beschikking is bij het begin van de voeding is
gekend als ‘voormelk’ terwijl de term ‘achtermelk’ vaak
gebruikt wordt om te verwijzen naar de melk die de baby
naar het einde van de voeding toe, inneemt. Het enige
verschil tussen voor- en achtermelk is het vetgehalte.
Binnen een bepaalde borstvoeding stijgt het vetgehalte
lineair naarmate de melk uit de borst verwijderd wordt.
Een vrouw met een groot beschikbaar melkvolume voor de
baby bij het begin van de dag zal haar eerste voeding
mogelijkerwijs beëindigen met slechts een lichte
verhoging van het vetgehalte (omdat de borst nog redelijk
vol is). Als dezelfde vrouw naar de avond toe minder volle
borsten heeft (wat toch voldoende is voor een goede borstvoeding)
kan het vetgehalte bij het begin van deze voeding hoger
liggen dan op het einde van de ochtendvoeding. Zo kan
de voormelk van de avondvoeding meer vet bevatten dan
de achtermelk van de ochtendvoeding. Het vetgehalte varieert
dus van voeding tot voeding, maar binnen één
voeding geldt dat het geleidelijk aan toeneemt.
- Waarom is moedermelk lichter verteerbaar dan kunstvoeding?
- Ongeveer 40% van de totale eiwitten in moedermelk bestaat
uit caseïne, de resterende 60% bestaat uit wei. De
hoge concentratie wei verteert snel en makkelijk, en vormt
een zacht, vlokkig stremsel. Caseïne (het dominante
eiwit in koemelk) is moeilijker te verteren en vormt een
taai en rubberachtig stremsel. Doordat moedermelk meer
wei dan caseïne bevat is het licht verteerbaar voor
de baby.
- Wat is het belang van het hoge cholesterolgehalte
van moedermelk?
- Het cholesterolgehalte in moedermelk is hoog (100-150
mg/l), dit in tegenstelling tot kunstvoeding. Tijdens
het eerste levensjaar hebben baby’s deze cholesterol
echter nodig. Cholesterol wordt gebruikt om een beschermende
laag rond de zenuwbanen (myeline-schede) te vormen, die
op hun beurt een goede motoriek mogelijk maken. Het hoge
cholesterolgehalte in moedermelk zorgt mogelijk voor een
bescherming tegen hart- en vaatziekten op latere leeftijd,
omdat er in het lichaam van de baby een aanpassing plaatsvindt
die bepaalt hoe men later vetten zal verwerken.
- Wat zijn de beschermende eigenschappen van moedermelk?
- Moedermelk draagt enerzijds bij tot de ontwikkeling
van het immuunsysteem, en biedt anderzijds de bescherming
die het kind nodig heeft tot het in staat is om zichzelf
te beschermen.
Er is sterke evidentie voor dat moedermelk net als colostrum
beschermt tegen infectieziekten, zoals bacteriële
meningitis, maagdarminfecties, luchtweginfecties, necrotiserende
enterocolitis, urinaire infecties en middenoorontsteking.
Daarnaast wijzen bepaalde onderzoeken op een beschermende
werking voor lymfoma, wiegendood, Ziekte van Hodgkin,
leukemie, hypercholesterolemie, diabetes type I en II,
overgewicht en obesitas en astma bij oudere kinderen en
volwassenen. Verder onderzoek hieromtrent wordt nog gevoerd.
Moedermelk bevat antistoffen of immunoglobulines (Ig)
A, G, M, D en E. Het zijn in de eerste plaats deze immunoglobulines
waarop de beschermende werking van moedermelk gebaseerd
is. De concentratie ligt in moedermelk weliswaar lager
dan in colostrum, maar doordat de baby grotere hoeveelheden
drinkt blijft de dagelijkse hoeveelheid antistoffen ongeveer
constant doorheen de hele lactatieperiode. Vooral immunoglobuline
A, en specifieker het secretorische IgA is overvloedig
aanwezig in moedermelk. sIgA wordt gevormd en afgescheiden
in de borst. Het sIgA in moedermelk beschermt het volledige
darmstelsel van de baby en fungeert als een eerste verdedigingslinie
in het lichaam van de baby waardoor ziektekiemen niet
kunnen binnendringen. Daarnaast richt de bescherming van
IgA zich rechtstreeks op een aantal virussen en bacteriën
die luchtweginfecties en gastrointestinale infecties veroorzaken.
Daarnaast spelen lysozomen en cellulaire componenten zoals
macrofagen en lymfocyten eveneens een rol in de bescherming
die moedermelk biedt.
- Welke contra-indicaties zijn er voor borstvoeding?
- Hoewel borstvoeding een unieke samenstelling heeft en
normaliter de optimale voeding voor baby’s is, zijn
er een beperkt aantal situaties waarbij het in het belang
van het kind nodig is om af te zien van borstvoeding.
Dit geldt wanneer:
- de baby galactosemie heeft en dus geen enkele
melk kan verdragen
- de moeder aan actieve en onbehandelde tuberculose
lijdt
- de moeder drager is van het humaan T-cel lymfotroop
virus type I of II
- de moeder blootgestaan heeft aan diagnostische of
therapeutische radioactieve straling en dit zolang
de radioactiviteit in de moedermelk aanwezig is
- de moeder behandeld wordt met antimetabolieten of
chemotherapie
- de moeder bepaalde medicatie of drugs gebruikt
- de moeder herpes heeft op of dichtbij de tepel of
areola (er kan dan wel gevoed worden aan de andere
borst + wondje afdekken met pleister en evt. met tepelhoedje
voeden indien de baby zo het wondje niet raakt)
- de moeder HIV-positief is (in de zich ontwikkelende
landen wegen de voordelen van borstvoeding in de eerste
zes maanden mogelijk op tegen het risico van HIV-besmetting
bij de baby (afhankelijk van de specifieke situatie
van het gezin).
- Daarnaast zijn er een aantal situaties die vaak als
contra-indicatie worden beschouwd, maar in werkelijkheid
wel verenigbaar zijn met borstvoeding:
- aanwezigheid van het Hepatitis B antigen in het
bloed van de moeder
- Hepatitis C bij de moeder
- epilepsie bij de moeder
- blootstelling van de moeder aan laaggedoseerde chemische
agentia
- cytomegalievirus bij de moeder (te evalueren indien
het gaat om een extreem vroeggeboren baby)
- roken vormt geen contra-indicatie voor borstvoeding,
al dient roken ontmoedigd te worden
- hyperbilirubinemie of geelzucht bij de baby.
- Het belang van borstvoeding
- Welke aanbevelingen doet de Wereldgezondheidsorganisatie
omtrent borstvoeding?
- De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en UNICEF doen
op basis van uitgebreid wetenschappelijk onderzoek een
aantal aanbevelingen in verband met borstvoeding. De Wereldgezondheidsorganisatie
erkent dat borstvoeding onmiskenbare fysieke en emotionele
gezondheidsvoordelen heeft voor zowel baby als moeder,
en stelt:
‘Moedermelk is de ideale voeding voor baby’s
en staat garant voor een gezonde groei en ontwikkeling
van zuigelingen. Borstvoeding geven maakt integraal deel
uit van het voortplantingsproces en heeft belangrijke
implicaties voor de gezondheid van moeders. Exclusieve
borstvoeding is de optimale voeding voor zuigelingen tot
de leeftijd van zes maanden. Vanaf dan is het aangeraden
dat kinderen naast de bijvoeding moedermelk blijven drinken
tot en met het tweede levensjaar of langer, zolang als
moeder en kind het wensen’.
Exclusieve borstvoeding wordt door de Wereldgezondheidsorganisatie
gedefinieerd als het enkel drinken van moedermelk via
de borst of het drinken van afgekolfde melk. Verder wordt
geen enkele andere voeding of drank (ook geen water) gegeven,
tenzij vitamine- en mineraalsupplementen of medicatie.
Daarbij wordt eveneens aanbevolen dat gezonde en voldragen
baby’s op vraag worden gevoed en er geen beperkingen
in duur en frequentie van het voeden worden opgelegd.
- Waarom geen andere voeding dan moedermelk introduceren
vóór zes maanden?
- Wanneer er andere voeding dan moedermelk wordt geïntroduceerd
vóór de leeftijd van zes maanden ontstaat
er een tekort aan beschermende immunologische factoren
die aanwezig zijn in moedermelk. Hierdoor wordt het risico
op aanbreng van contaminanten en allergenen verhoogd.
Bovendien is het spijsverteringsstelsel van de baby pas
op zes maanden voldoende matuur om andere voedingsstoffen
dan moedermelk te verwerken.
- Wat zijn de voordelen van borstvoeding voor de
baby?
- Moedermelk is een uniek en levend product dat volledig
is aangepast aan de specifieke behoeften van de baby op
elke leeftijd. Exclusieve borstvoeding is de norm waarmee
alle voedingsalternatieven vergeleken zouden moeten worden
wat betreft groei, gezondheid en ontwikkeling, zowel op
korte als lange termijn. Moedermelk bevat veel meer dan
enkel voedingsstoffen. Het beschermt de baby tot hij zichzelf
kan beschermen. In moedermelk werden namelijk meer dan
200 componenten geïdentificeerd die niet enkel een
rol spelen in de voeding van de baby maar ook in de algemene
ontwikkeling, in de groei, en in de ontwikkeling van het
immuunsysteem en het zenuwstelsel.
Moedermelk draagt enerzijds bij tot de ontwikkeling van
het nog immature immuunsysteem, anderzijds beschermt moedermelk
actief tegen ziekte. Volgens The American Academy of Pediatrics
(AAP) biedt onderzoek sterke evidentie dat (vooral) de
antistoffen of immunoglobulines in zowel het colostrum
als de rijpe moedermelk baby’s beschermen tegen
volgende infectieziekten:
- bacteriële meningitis
- diaree
- luchtweginfecties
- necrotiserende enterocolitis
- middenoorontsteking
- urinaire infecties
- Daarnaast wijst de AAP erop dat sommige studies een
verlaagde incidentie aantonen van:
- wiegendood tijdens het eerste levensjaar
- diabetes type I en II
- leukemie
- lymfoma
- Ziekte van Hodgkin
- astma bij oudere kinderen en volwassenen
- hypercholesterolemie
- overgewicht en obesitas.
- Verder onderzoek hieromtrent is echter aangewezen.
- Borstvoeding speelt verder een belangrijke rol in het
beschermen tegen allergie. Vastgesteld wordt dat een kind
met aanleg voor allergie minder snel klachten zal hebben
indien er de eerste zes maanden uitsluitend borstvoeding
wordt gegeven. Ook zullen de allergische symptomen minder
ernstig zijn.
- Wat zijn de voordelen van borstvoeding voor de
moeder?
- Naast voordelen voor de baby heeft borstvoeding ook
belangrijke voordelen voor de moeder, en dit zowel op
het vlak van gezondheid als op praktisch vlak.
Gezondheidsvoordelen
- minder bloedverlies
- baarmoeder krimpt sneller in tot haar normale grootte
- minder vaak ijzertekort
- moeder komt sneller terug op haar gewicht van voor
de zwangerschap
- borstvoeding vormt tijdelijk een natuurlijke anticonceptie
indien aan een aantal strikte voorwaarden is voldaan
- moeders met zwangerschapsdiabetes hebben een lager
risico op het ontwikkelen van diabetes type II wanneer
ze borstvoeding geven
- moeders met diabetes hebben een lagere insulinebehoefte
- verminderd risico op borstkanker, ovariumkanker
en mogelijk ook voor osteoporose (verder onderzoek
vereist)
- Praktische voordelen
- moedermelk is steeds klaar en op temperatuur
- geen werk om flesjes te steriliseren en klaar te
maken
- geen uitgaven voor kunstvoeding
- minder medische kosten dankzij de gezondheidsvoordelen
van borstvoeding
- minder ziekteverzuim door de moeder omwille van
zieke kinderen
- minder afval.
- Wat zijn de verschillen tussen borstvoeding en
kunstvoeding?
- Kunstvoeding biedt moeders een alternatief wanneer borstvoeding
niet mogelijk is, maar kunstvoeding zal borstvoeding wellicht
nooit evenaren. In het onderzoek naar de samenstelling
en de effecten van moedermelk worden nog steeds nieuwe
ontdekkingen gedaan. Zo heeft men recent meer ontdekt
over de bijzondere vetzuren in moedermelk die de hersenontwikkeling
en het gezichtsvermogen bevorderen.
Aan het geven van kunstvoeding zijn zekere risico’s
verbondalen. Kinderen die kunstvoeding krijgen verschillen
biologisch van kinderen die borstvoeding krijgen. Deze
kinderen lopen een groter risico op ziekte dan borstgevoede
kinderen: enerzijds krijgen ze niet de antistoffen mee
die specifiek zijn voor moedermelk, anderzijds is er bij
kunstvoeding ook een aanzienlijk risico op contaminatie
van de melk.
Verder vertoont hun bloed een ander patroon van aminozuren,
is de samenstelling van hun lichaamsvet anders en worden
ze blootgesteld aan een enorme verscheidenheid aan koolhydraten.
De osmolariteit van hun plasma is hoger en ze hebben ook
een hoger ureum- en elektrolytengehalte. De darmen van
kinderen die kunstvoeding krijgen worden gekoloniseerd
door mogelijk invasieve microflora terwijl ze blootgesteld
worden aan vreemde eiwitten die mogelijk een immunologische
reactie uitlokken.
- Te veel of te weinig melk
- Wat is het belang van voeden op vraag?
- Voeden op vraag impliceert dat er geen beperkingen zijn
in frequentie en duur van de voedingen. Onderzoek toonde
aan dat de voordelen van voeden op vraag velerlei zijn.
Er wordt bij de baby minder gewichtsverlies tijdens de
eerste week postpartum vastgesteld, en voeden op vraag
blijkt samen te hangen met een langere borstvoedingsduur.
Frequent voeden leidt verder tot minder hyperbilirubinemie
in de vroege neonatale periode, helpt stuwing te voorkomen
en zorgt voor een vlottere stabilisatie van de borstvoeding.
Voor baby’s die ouder dan 4 à 6 weken zijn
en die zeer frequent niet-nutritief willen zuigen kan
er eventueel wel aan gedacht worden om een andere manier
van zuigen aan te bieden, indien de moeder dit wenst.
Hiervoor is het belangrijk om de ouders het verschil uit
te leggen tussen nutritief en niet-nutritief zuigen (zie
vraag ‘Baby aan de borst > Welke verschillende
zuigpatronen bestaan er’)
- Hoe herken ik overvloedige melkproductie?
- Mogelijke kenmerken bij de moeder:
- blijvend gespannen en pijnlijke borsten
- verstopte melkkanaaltjes
- mastitis of borstontsteking
- lekken van de borsten tussen de voedingen
- pijnlijke toeschietreflex.
- Mogelijke kenmerken bij de baby:
- onrust tijdens en na de voeding
- verslikken
- veel huilen
- melk teruggeven
- weigeren van de borst bij een te sterke toeschietreflex
- zeer grote of juist kleine gewichtstoename.
- hikken tijdens en na de voeding
- zeer frequente en korte voedingen waardoor de
baby enkel voormelk krijgt met als gevolg winderigheid,
en soms overvloedige, schuimende en zelfs groene
ontlasting.
- Wat te doen bij overvloedige melkproductie?
- Bedoeling is om de hoeveelheid melk die wordt aangemaakt
te verminderen, zodanig dat aanbod en vraag opnieuw met
mekaar overeenstemmen. Op deze manier kan mastitis voorkomen
worden en de baby opnieuw tevreden aan de borst drinken.
- Eén borst per voeding: zorgt ervoor dat
de borst goed leeggedronken wordt en de baby de
vetrijke achtermelk krijgt waardoor een teveel aan
lactose wordt vermeden. Wanneer de baby zeer vaak
wil drinken is het raadzaam om binnen een tijdspanne
van 3 à 4 uur telkens opnieuw dezelfde borst
aan te bieden, en dit tijdelijk gedurende 2 à 3
dagen. Nadien kan dit aangepast worden aan de individuele
voorkeur en aan de melkproductie (bij sommige vrouwen
is de melkproductie na drie dagen blokvoeden ernstig
afgenomen en is stimulatie aan beide borsten weer
nodig om de productie op peil te houden).
- Bij stuwing in de andere borst kunnen koude koolbladeren
(of compressen) de pijn verlichten: men spoelt een
koolblad van witte of groene kool af onder de kraan,
verwijdert de harde nerven, en kneust het blad (bijvoorbeeld
met een deegrol). Het toepassen van koolbladeren op
de borst werkt enerzijds ontzwellend, maar zorgt er
anderzijds ook voor dat de melkproductie wordt afgeremd.
Er wordt aangeraden om dit niet meer dan drie keer
per dag gedurende twintig minuten te doen. Vaak is
het ook nodig om wat melk af te kolven, maar niet
meer dan nodig om het ongemak van de stuwing weg te
nemen. Geleidelijk aan zullen de borsten zich aanpassen
aan het nieuwe vraag- en aanbodsysteem en zal de melkproductie
verminderen.
- Overvloedige melkproductie gaat vaak gepaard met
een krachtige toeschietreflex. Indien de baby hierdoor
de borst weigert kan de moeder met de hand wat melk
afkolven tot de melk toeschiet en pas na de hevige
toeschietreflex de baby aanleggen. Een andere mogelijkheid
is om de baby aan te leggen, maar weg te nemen zodra
hij last heeft van de hevige toeschietreflex. Ook
een andere aanleghouding kan helpen, bv. in rugligging.
De baby in verticale positie voeden maakt dat hij
zelf meer controle heeft over de melkvloed.
- Hoe herken ik een ontoereikende melkproductie?
- Om vast te stellen of de melkproductie toereikend is,
is het vooral belangrijk om te letten op het aantal natte
luiers en het gewicht van de baby. Daarnaast kunnen ook
andere tekens bij de baby of de moeder wijzen op een ontoereikende
melkproductie.
Urine en stoelgang
Wanneer de melkproductie goed op gang komt, vanaf de derde
of vierde dag na de bevalling, hoort de baby zes tot acht
natte katoenen luiers of vijf tot zes wegwerpluiers per
dag te hebben. Na zes weken zal de blaas van de baby in
omvang toenemen en in staat zijn om meer urine te bevatten.
Hierdoor kan het aantal natte katoenen luiers afnemen
tot vijf of zes per dag, en het aantal wegwerpluiers tot
vier of vijf per dag, maar ze zullen per keer meer urine
bevatten. Het is hierbij steeds belangrijk dat de urine
niet sterk geconcentreerd of sterk ruikend is.
Eén à twee dagen nadat de melkproductie
op gang gekomen is en het meconium is uitgescheiden, zal
de ontlasting van een borstgevoede baby vormeloos en geelachtig
van kleur zijn, met een milde niet onaangename geur. De
meeste baby’s zullen zolang ze uitsluitend borstvoeding
krijgen twee tot vijf keer ontlasting hebben per etmaal.
Wanneer de baby tijdens de eerste vier tot zes weken minder
dan twee keer per etmaal ontlasting heeft is het zinvol
om de frequentie en de duur van de borstvoeding na te
gaan en het aantal natte luiers te controleren. Hoewel
dit niet per definitie problematisch is, kan het wijzen
op onvoldoende melkproductie. Ook wanneer er slechts weinig
ontlasting is, de ontlasting onregelmatig, droog of hard
is, zijn er mogelijk problemen met de melkproductie. Na
de leeftijd van vier tot zes weken is de stoelgangfrequentie
bij borstgevoede kinderen sterk wisselend. Dit kan variëren
van zeven keer per dag tot één keer per
week. Op voorwaarde dat de stoelgang zacht blijft wordt
elke frequentie binnen deze variatie als normaal beschouwd.
Gewicht
Verder kan het gewicht van de baby aangeven of de baby
voldoende voeding krijgt. De melkproductie is ontoereikend
wanneer:
- de baby na de geboorte meer dan 10% van zijn
geboortegewicht verliest
- er geen terugkeer naar het geboortegewicht
is op de leeftijd van 2 weken
- de baby minder dan gemiddeld 20 g/dag bijkomt
nadat hij zijn geboortegewicht heeft herwonnen.
- In deze gevallen is een grondige evaluatie op medisch
en borstvoedingsvlak nodig, aangezien voedings- of gewichtsproblemen
symptomen van ziekte kunnen zijn.
In het algemeen is het geboortegewicht van de baby op
de leeftijd van vijf maanden verdubbeld, op de leeftijd
van één jaar verdrievoudigd en op de leeftijd
van twee jaar verviervoudigd. De groei van kinderen die
borstvoeding krijgen verschilt echter van de groei van
kinderen die kunstvoeding krijgen, en verloopt meer stapsgewijs.
Terwijl de gewichtstoename van borstgevoede en kunstgevoede
baby’s tijdens de eerste maanden gelijkloopt, komen
kunstgevoede baby’s rond de leeftijd van drie à vier
maanden meer bij dan borstgevoede baby’s. Deze verschillen
in gewichtstoename vormen een belangrijk gegeven, aangezien
de groeicurves voor kinderen standaard gebaseerd zijn
op de groei van kinderen die kunstvoeding krijgen, en
men op basis hiervan bijgevolg niet te snel mag concluderen
dat borstgevoede kinderen te weinig bijkomen en de borstvoeding
ontoereikend zou zijn.
Andere tekenen
Volgende tekenen bij de baby kunnen er eveneens op wijzen
dat hij te weinig moedermelk krijgt:
- de baby is niet tevreden of verzadigd na de
voeding
- de baby huilt veel, vaak zwakjes of hoog en
schel
- de baby wil vaak en lang drinken
- de baby slaapt lang door
- de baby is futloos
- de baby weigert de borst
- de baby is onrustig wanneer hij wordt neergelegd.
- Deze gedragingen kunnen ook andere oorzaken hebben.
Mogelijk maakt de baby een groeispurt door, is de smaak
van de melk niet aangenaam, heeft de baby krampen of gaat
het om een baby die van nature uit veel contact wil, of
is er een medische oorzaak.
- Wat zijn mogelijke oorzaken van ontoereikende
melkproductie?
- De oorzaken van onvoldoende melkproductie kunnen zich
situeren op vier verschillende niveaus.
- Fysieke oorzaken bij de moeder
Allereerst is het van belang om na te gaan of er bij de
moeder fysieke oorzaken zijn. Hierbij denken we aan:
- hormonale onderdrukking van de lactatie
- het achterblijven van placentaresten (waardoor het
progesteron- en oestrogeengehalte hoog blijft)
- schildklierproblemen
- ernstige acute of chronische ziekte
- zwangerschap, anticonceptie
- onvoldoende ontwikkeling van het borstklierweefsel
- ingetrokken tepels, tepelpijn
- borstchirurgie, borsttrauma
- anemie
- gebruik van bepaalde medicatie, roken, alcohol of
drugs.
- Psychologische oorzaken bij de moeder
Naast fysieke oorzaken bij de moeder, dient ook te worden
nagegaan of psychologische factoren de melkproductie
kunnen remmen, bijvoorbeeld:
- onvoldoende zelfvertrouwen
- stress, bezorgdheid
- vermoeidheid
- negatieve gevoelens tegenover de baby
- borstvoeding beu.
- negatieve gevoelens t.o.v. het aanraken van de borsten
(vb. bij vroeger seksueel misbruik).
- Oorzaken bij de baby
De oorzaken voor onvoldoende melkproductie kunnen zich
ook bij de baby situeren. Het kan zowel om zijn gedrag
gaan, als om een ziekte of aandoening van de baby.
Gedrag:
- afkeer van de borst, wegtrekken, orale afkeer door
aspiratie of intubatie
- slaperige baby
- insufficiënt drinken
- zuigverwarring.
- Ziekte/aandoening:
- gastro-oesophageale reflux
- voedselallergie of –intolerantie
- ademhalingsproblemen
- prematuriteit
- neurologische problemen
- te kort tongriempje
- andere aangeboren afwijkingen.
- Oorzaken op het vlak van borstvoedingsmanagement
Vaak is onvoldoende melkproductie echter te wijten aan
een onaangepast borstvoedingsmanagement, zoals:
- late start van de borstvoeding: voor het verdere verloop
van de borstvoeding is het belangrijk om de baby binnen het
uur na de geboorte aan te leggen
- te weinig voedingen, te korte voedingen en geen
nachtvoedingen: voldoende vaak en voldoende lang voeden
is van belang om het melkproductiesysteem van vraag
en aanbod op peil te houden.
- inefficiënt zuigen, aanlegproblemen: wanneer
de baby voldoende vaak wordt aangelegd, maar toch
te weinig melk krijgt kan het zijn dat hij niet efficiënt
zuigt of er aanlegproblemen zijn.
- fopspenen, tepelhoedjes en flesvoeding: door het
geven van fopspenen en flesvoeding kan enerzijds zuigverwarring
ontstaan, en neemt anderzijds de vraag naar borstvoeding
af waardoor de melkproductie van de moeder zal afnemen.
- Wat te doen bij ontoereikende melkproductie?
- In geval van onvoldoende melkproductie is het zaak om
na te gaan wat de oorzaak hiervoor is, zodat het borstvoedingsmanagement
kan afgestemd worden op de oorzaak.
Allereerst is het nodig om een voeding te observeren,
met aandacht voor de conditie van de borsten en de tepels,
de houding van baby en moeder, het aanhappen van de baby,
het slikken van de baby, en de manier waarop baby en moeder
op elkaar reageren. Vervolgens dient te worden nagegaan
hoe frequent er gevoed wordt, hoeveel natte luiers de
baby heeft, hoeveel stoelgangluiers er zijn en de aard
ervan, en of de baby voldoende bijkomt.
Na de anamnese en het observeren van de borstvoeding zijn
volgende acties aangewezen om de melkproductie te verhogen
(aangepast aan de specifieke probleemsituatie):
- indien nodig het aanhappen en drinken van de baby verbeteren
- de frequentie van de voedingen of het afkolven verhogen
- geen tijdslimiet, maar de baby de kans geven om voldoende
lang aan de borst te drinken
- bij elke borstvoeding aan beide borsten aanleggen
- borstmassage, borstcompressie
- wisselvoeden in geval van een slaperige of premature
baby
- vermijden van het gebruik van flessen, spenen en tepelhoedjes
- gezonde voeding, voldoende drinken en rust voor de moeder.
Indien de productie ook na aangepast borstvoedingsmanagement
laag blijft is het aangewezen om na de borstvoeding of
tussen de voedingen nog extra af te kolven om de melkproductie
te stimuleren, of gebruik te maken van medicatie die de
melkproductie stimuleert.
- Hoe kan ontoereikende melkproductie voorkomen
worden?
- Werken aan de preventie van onvoldoende melkproductie
kan op verschillende manieren. Allereerst is het van belang
om ouders te stimuleren om prenatale lessen over borstvoeding
te volgen, zodat ze voldoende en correct geïnformeerd
zijn. Vervolgens kan een prenataal nazicht van de borsten
zinvol zijn. Ten derde is het van belang dat de borstvoedingsbegeleiding
gebeurt door een degelijk getraind en gemotiveerd team,
waarbij de therapeutische aanpak is afgestemd op de oorzaak.
Tot slot kan het ‘borstvoedingsbilan’,
een instrument ter detectie van moeders die een verhoogde
kans hebben om vroegtijdig te stoppen met borstvoeding,
eveneens een bijdrage leveren tot het opsporen van moeders
die mogelijk te maken krijgen met onvoldoende melkproductie.
Ter preventie van onvoldoende melkproductie is het eveneens
van belang om zicht te hebben op wie extra risico loopt.
We onderscheiden een aantal risicofactoren bij de baby,
en een aantal risicofactoren bij de moeder.
- Bij de baby:
- prematuriteit
- groeiachterstand in de baarmoeder
- langdurig geel zien
- problemen met de coördinatie van zuigen, slikken
en ademhalen, vaak door een aangeboren afwijking
- afwijkingen in het mond- en keelgebied
- baby’s die de eerste dagen gescheiden waren
van de moeder
- onrustige baby
- meerlingen.
- Bij de moeder:
- onvoldoende geïnformeerd
- late keuze voor borstvoeding
- duidelijk voornemen om slechts beperkt borstvoeding
te geven
- weinig zelfvertrouwen
- gevoelig voor privacy bij het borstvoeden
- weinig ondersteuning van partner, en ruimere omgeving
- slechte gezondheid en ziekte tijdens de borstvoeding.
- Kan de borstvoeding opnieuw worden opgestart wanneer
de moeder reeds gestopt was?
- Ja. Dit wordt ‘relactatie’ genoemd.
We spreken van relactatie wanneer een moeder die reeds
gestopt was met borstvoeding, nooit met borstvoeding gestart
is (al dan niet door lactatieremmers) of waarvan de melkproductie
zo goed als onbestaande is, opnieuw borstvoeding wil geven.
Vaak berust de beslissing hiertoe op een emotionele basis.
Ook is het mogelijk dat men de borstvoeding opnieuw wil
opstarten omwille van ernstige allergieën voor beschikbare
kunstvoeding. In deze situaties kan de melkproductie opnieuw
worden opgevoerd.
Bij relactatie is frequente borststimulatie noodzakelijk
omdat het zuigen van de baby de productie stimuleert.
Het is in eerste instantie dan ook nodig om de baby opnieuw
goed aan de borst te krijgen. Hierbij is de periode waarin
de borstvoeding gestopt werd van belang en is het de de
vraag of de baby (opnieuw) de borst accepteert. Hoe jonger
het kind, hoe groter de kans dat de baby aan de borst
zal willen zuigen. Als de baby niet aan de borst wil drinken
kan de moeder frequent afkolven om de melkproductie terug
op gang te brengen.
Mits intensieve begeleiding, is ondersteuning door middel
van medicatie vaak niet nodig. Vooraleer de baby aan te
leggen kan het zinvol zijn om de eerste honger te stillen
met wat bijvoeding, bijvoorbeeld uit een kopje, zodat
de baby niet ongeduldig wordt aan de borst. Pas wanneer
duidelijk wordt dat de melkproductie voldoende is, o.a.
door het duidelijk horen slikken van de baby of het voelen
van een toeschietreflex door de moeder, kan de bijvoeding
geleidelijk worden afgebouwd. Bij relactatie kan het gebruik
van een borstvoedingshulpset een goed hulpmiddel zijn
- Is het mogelijk om borstvoeding te geven bij adoptie
en hoe gaat dit in zijn werk?
- Ouders die een baby adopteren kunnen er eveneens voor
kiezen om hun baby borstvoeding te geven. De motivatie
hiervoor kan tweeërlei zijn; enerzijds spelen de
gezondheidsvoordelen van borstvoeding een rol, maar anderzijds
hecht men vaak vooral belang aan de intieme band tussen
moeder en kind die op deze manier wordt versterkt. Het
geven van borstvoeding aan een adoptiebaby komt tegenwoordig
frequenter voor en raakt stilaan beter aanvaard.
In deze situatie wordt de melkproductie niet op gang gebracht
of gestimuleerd door de zwangerschapshormonen. Het stimuleren
van de endogene hormonen oxytocine en prolactine kan gebeuren
door het zuigen van het kind, kolven met de hand of met
een afkolftoestel en het stimuleren van de tepels. De
adoptiemoeder kan reeds een aantal weken voor de komst
van de baby starten met kolven en gedurende de laatste
week (weken) kolft ze net zo vaak als de baby ongeveer
zal drinken (kleine baby elke 2 à 3 uur - ook s’ nachts
-, grotere baby om de 4 uur). Het toedienen van exogene
hormonen zoals oestrogenen en progesteronen in deze situatie
is wetenschappelijk nog niet voldoende onderzocht. Vaak
wordt gebruikt gemaakt van lactatiestimulerende middelen,
bijvoorbeeld domperidone.
Of het opstarten van borstvoeding bij een adoptiebaby
succesvol is hangt verder in grote mate af van de bereidheid
van de baby om aan de borst te drinken. Vermits de moeder
niet de voordelen heeft van de voorbereiding die de borsten
tijdens de zwangerschap ondergaan, is het op gang brengen
van de melkproductie sterk afhankelijk van het goed zuigen
van de baby, de frequentie van aanleggen, de kracht van
het zuigen en de duur van iedere aanlegperiode. Ook leeftijd
speelt een belangrijke rol: bij zeer jonge baby’s
is de kans groter dat de baby de borst zal aanvaarden
dan bij baby’s die al wat ouder zijn.
- Bijvoeding
- Welke nadelen zijn er verbonden aan het geven
van bijvoeding?
- Over het algemeen is het geven van bijvoeding niet aangewezen.
Aan bijvoeden zijn immers belangrijke nadelen verbonden.
Zo wordt o.a. het systeem van vraag en aanbod verstoord
waardoor de melkproductie nog verder afneemt, kunnen er
aanlegproblemen ontstaan, is er een nadelige invloed voor
de gezondheid, een verhoogde kans op infecties, worden
de nieren onnodig belast en is uit wetenschappelijk onderzoek
gebleken dat de lengte van de borstvoedingsperiode negatief
wordt beïnvloed door bij te voeden tijdens de kraamperiode.
- Hoe kunnen de nadelen beperkt worden wanneer bijvoeding
geven noodzakelijk is?
- Het is belangrijk dat een (tijdelijke) aanvulling deskundig
wordt begeleid zodat de nadelen van bijvoeden worden beperkt
en de moeder daarna indien gewenst opnieuw kan overschakelen
op volledige borstvoeding. Het is nodig om de baby naast
de bijvoeding te blijven aanleggen, zowel voor het op
peil houden of stimuleren van de melkproductie, als voor
het onderhouden van zijn drinktechniek aan de borst. Ook
wanneer de melkproductie onvoldoende is om de baby volledig
te voeden is de waarde van moedermelk groot. Hoe groot
of klein de hoeveelheid moedermelk ook is, moedermelk
bevat dagelijks immers dezelfde hoeveelheid IgA.
- Wanneer het nodig is om de baby bij te voeden kan men – in
volgorde van voorkeur – volgende bijvoeding geven:
- afgekolfde moedermelk
- donormoedermelk
- kunstvoeding.
- In België is het echter niet gangbaar om donormoedermelk
te geven, aangezien er geen melkbanken zijn.
- Hoe kan bijvoeding best gegeven worden?
- Er zijn verschillende mogelijkheden om bijvoeding te
geven aan de baby. Het gebruik van een zuigfles in de
eerste levensweken wordt door sommige bronnen afgeraden
aangezien dit voor zuigverwarring kan zorgen en de baby
hierna mogelijk niet meer of moeilijk aan de borst zal
willen drinken. De keuze van de techniek is afhankelijk
van de situatie van moeder en kind. Bij elk van deze voedingsmethoden
is het uiteraard van belang om steeds hygiënisch
te werk te gaan.
Voeden met een kopje (cupfeeding)
Het voeden met een kopje is vaak een geschikte techniek
en wordt na enige oefening een praktische en aangename
voedingsmethode die weinig energie van de baby vraagt.
Dit wordt ook vaak gebruikt bij premature baby’s
zodat langdurige sondevoeding vermeden kan worden. Bovendien
gaan er op deze manier minder vetten verloren dan wanneer
de baby via sonde wordt gevoed, en worden verder de tong-
en mondspieren van de baby geoefend alsook de zoek- en
slikreflex gestimuleerd. Ook een baby die omwille van
een neurologische aandoening niet in staat is om te zuigen
kan op deze manier gevoed worden, omdat het wel lukt om
de voeding op te likken.
Nadelen van voeden met een kopje zijn dat de baby er erg
gehecht aan kan worden wanneer hij daarnaast niet regelmatig
wordt aangelegd, dat niet wordt voldaan aan de zuigbehoefte
van de baby, en dat men zorgvuldig te werk moet gaan en
de melk niet zomaar in het mondje mag gegoten worden.
Bij pasgeboren baby’s die zich gemakkelijk verslikken
is het niet aangewezen om te voeden met een kopje – bijvoorbeeld
bij een slechte braakreflex, algemene futloosheid of belangrijke
neurologische aandoeningen.
Voeden met een kopje gebeurt met behulp van een 60cc maatbekertje,
of een ander glas of kopje met een gladde en dunne rand.
Om te vermijden dat de baby het kopje omgooit kan het
nodig zijn om zijn handjes in een omslagdoek te slaan.
Men houdt de baby rechtop op schoot en laat het kopje
rusten op de onderlip van de baby waarna men het kopje
schuin houdt tot de melk het mondje van de baby raakt.
Het is niet de bedoeling om de melk in het mondje van
de baby te gieten, de baby zal in eerste instantie de
melk met zijn tong naar binnen likken. Later zal hij meer
gaan zuigen of slurpen. De baby bepaalt zelf het ritme
en de hoeveelheid voeding. Dit is zeker belangrijk om
verslikking te voorkomen. Wanneer de baby even stopt met
drinken kan men het kopje gewoon tegen de mond laten rusten,
en niet weghalen.
Vingervoeden
Vingervoeden kan zowel gebruikt worden om vast te stellen
hoe de baby zuigt en slikt, als om bijvoeding te geven.
Al wordt het systematisch bijvoeden op deze manier niet
aanbevolen omdat de prikkel van de vinger net zoals de
speen kan zorgen voor zuigverwarring.
Bij vingervoeden wordt het ene uiteinde van een sondeslangetje
in een kopje of flesje gevuld met voeding gehangen, terwijl
het andere uiteinde wordt vastgemaakt aan de vinger. Nadat
men de vinger met de nagel op de tong en de vingertop
tegen het gehemelte legt, trekt de baby meestal de vinger
naar binnen en begint te zuigen.
Spuitje
Het gebruik van een spuitje of druppelaar kan een goede
oplossing zijn wanneer men kleine hoeveelheden voeding
wil geven. De baby wordt rechtop gehouden en het is nodig
om op te passen voor verslikken. Het is de bedoeling om
eerst enkele druppels voeding op de tong te laten proeven
en te wachten tot de baby begint te zuigen. Daarna kan
men terwijl de baby zuigt, beetje bij beetje, wat voeding
aan de zijkant van de wang laten lopen. Wanneer de baby
slikt is het nodig om even te pauzeren.
Borstvoedingshulpset
In vele gevallen wordt de voorkeur gegeven aan deze voedingsmethode.
Op deze manier wordt immers de melkproductie van de moeder
gestimuleerd én kan de baby bijvoeding krijgen
zonder gewoon te raken aan een speen. Het gebruik van
een borstvoedingshulpset is aangewezen in volgende situaties:
- voeden van een adoptiebaby
- bij langdurige bijvoeding (bijvoorbeeld in geval
van hartafwijking of Syndroom van Down)
- in geval van relactatie
- bij zuigproblemen (door neurologische afwijkingen
of bij zuigverwarring).
- Een belangrijke voorwaarde om een borstvoedingshulpset
te gebruiken is dat de baby een adequaat zuig- en slikpatroon
heeft.
De hulpset bestaat uit een flesje waarin de voeding wordt
gedaan, en twee slangetjes die elk aan een borst worden
vastgeplakt. Hierbij is het van belang dat het uiteinde
van het slangetje iets voorbij de tepel en onder de bovenlip
van de baby komt. Een goede begeleiding is nodig om ervoor
te zorgen dat de baby de borst ver genoeg in zijn mondje
neemt en niet alleen uit het slangetje zuigt.
De slangetjes zijn heel dun en moeten na gebruik onmiddellijk
goed doorgespoeld worden (eerst met koud water en nadien
met warm water) om indrogen van de melk te voorkomen.
- Baby aan de borst
- Welke orale reflexen spelen een rol bij het zuigen
aan de borst?
- Zowel de zoekreflex, de zuigreflex als de slikreflex
zijn essentieel voor het adequaat drinken aan de borst.
Onderstaande figuur biedt een kort overzicht.

Figuur: De Reede, A. (2003). Begeleiding bij borstvoeding.
Wijk bij Duurstede en Krimpen aan de Lek: Vereniging Borstvoeding
Natuurlijk en Stichting Zorg voor Borstvoeding.
- Hoe verloopt het zuigen aan de borst?
- - De tepel, areola en het borstweefsel worden diep in
de mond genomen. De lippen krullen naar buiten omheen
de borst.
- Het topje van de tong wordt achter de onderlip en over
de onderste tandenboog geplaatst, terwijl de rest van
de tong de areola omvat.
- Tijdens het voeden wordt de tepel door de baby uitgerokken
tot een tuitje, totdat de tepel reikt tot aan de overgang
van het zachte en het harde verhemelte.
- De tong wordt door de kaak van de baby naar boven gebracht
en drukt de areola tegen de bovenste tandenboog.
- De lippen, bovenste tandenboog en de tong zorgen samen
voor een vacuüm.
- Vervolgens maakt de tong golvende bewegingen (zie figuur).
De kaak wordt naar beneden gebracht en wanneer het achterste
deel van de tong daalt, ontstaat een negatieve druk in
de mond waardoor de melkkanalen worden geopend. Wanneer
er melk in de mond komt, stimuleert dit de receptoren
die de slikreflex inzetten.

Figuur:Riordan, J. (2005). Breastfeeding and Human Lactation.
Massachusetts:Jones and Bartlett Publishers.
- Wat te doen bij een te kort tongriempje?
- Wanneer het tongriempje te kort is om de tong vrij te
laten bewegen, kan dit problemen opleveren om goed te
zuigen. Wanneer de baby niet in staat is om het topje
van zijn tong verder dan de rand van de onderste tandenboog
te brengen, verloopt de melktransfer minder efficiënt.
Het vacuüm dat nodig is om efficiënt te zuigen,
wordt snel verbroken. Omdat de baby de tepel en het tepelhof
moeilijk kan omvatten, kan hij dan ook de tepel beschadigen
wanneer hij drinkt.
In dit geval is een frenotomie aangewezen. Dit is een
chirurgische ingreep waarbij het tongriempje wordt geknipt.
Meestal laat dit onmiddellijk na de ingreep al toe dat
de baby comfortabel en efficiënt kan drinken aan
de borst.
- Welke verschillende zuigpatronen bestaan er?
- 1. Stimulatie-zuigpatroon
Dit is de manier waarop de baby zuigt bij het begin van
een voeding. Het gaat om korte, snelle zuigbewegingen,
soms tot tweemaal per seconde. Dit is te zien vooraleer
de toeschietreflex optreedt.
2. Nutritief zuigen
We spreken van nutritief zuigen op het moment dat de melk
aanwezig is. De baby zuigt op dit moment ongeveer één
keer per seconde. Tijdens de toeschietreflex lijkt de
baby ononderbroken te zuigen. Wanneer de melkhoeveelheid
vermindert zal de baby tussen het zuigen door regelmatig
pauzeren.
3. Niet-nutritief zuigen
Onder niet-nutritief zuigen verstaan we het spontane zuigen
van de baby zonder dat er iets in de mond van de baby
komt (bvb. tijdens de slaap). Dit niet-nutritief zuigen
is belangrijk voor de ontwikkeling van het kind, zeker
wanneer het om een premature baby gaat. Het stimuleert
namelijk de peristaltiek, verbetert de secretie van verteringssappen
en maakt dat de baby minder huilt.
- Op welke manier geeft de baby aan dat hij honger
heeft?
- Voorwaarde om te kunnen voeden op vraag is dat men zich
goed bewust is van de hongersignalen die de baby geeft.
Er zijn opeenvolgende manieren waarop de baby aangeeft
dat hij honger heeft:
- sabbelen en niet-nutritief zuigen
- subtiele lichaamsbewegingen, onrust
- handjes naar de mond brengen en er eventueel op
zuigen
- zoeken, zuigen op eender wat in de buurt van zijn
mondje komt
- bij een oudere baby: zich naar de borst draaien
- huilen.
- Huilen is dus een erg laat hongersignaal. Moeders dienen
aangemoedigd te worden om reeds eerder te reageren op
de signalen van de baby en niet te wachten tot de baby
uiteindelijk van streek geraakt en begint te huilen. Een
huilende baby kan immers niet drinken maar heeft tijd
nodig om getroost en gekalmeerd te worden.
- Hoe wordt de baby best gepositioneerd aan de borst?
- Het is belangrijk dat de moeder goed gesteund en comfortabel
zit. De baby ligt met zijn lichaam dicht tegen de moeder
aan en dient zodanig gepositioneerd te zijn dat hij de
ruimte heeft om zijn hoofdje en nek vrij te bewegen.
Bij het positioneren van de baby aan de borst is het erg
belangrijk dat de baby niet wordt vastgehouden ter hoogte
van het achterhoofd. Wanneer er druk op het achterhoofd
wordt uitgeoefend, de moeder de bewegingen van de baby
tracht te controleren, zijn mondje overstimuleert e.d.,
wordt ingegaan tegen de natuurlijke reflexen van de baby.
Dit is beangstigend voor de baby en kan tot borstweigering
leiden.
Volgende aandachtspunten zijn belangrijk bij het positioneren:
- een stabiele basis door het ondersteunen van de
baby’s rug en het plaatsen van een handpalm
tussen de schouders
- hoofdje en nek liggen op één lijn
en worden ondersteund door de pols of voorarm van
de moeder
- hoofdje, nek en ruggengraat liggen op één
lijn, zodat er symmetrie van de middellijn is en de
spieren aan elke zijde van de ruggengraat dezelfde
bewegingen ervaren.
- Welke verschillende voedingshoudingen zijn er
mogelijk?
- 1. Zittend voeden of madonna-houding
Dit is de meest gebruikte houding en wordt ook als meest
comfortabel ervaren. De baby ligt op zijn zij met de
voorkant van zijn lichaam helemaal naar de moeder toe
(buik tegen buik). Het hoofdje rust op de onderarm van
de moeder en de rug wordt door dezelfde onderarm ondersteund.
Nadeel van deze houding is dat het hoofdje meestal niet
stevig ondersteund wordt maar wiebelt op de arm van de
moeder, en de moeder hier slechts weinig controle over
heeft.
2. Doorgeschoven in zittende houding voeden
Dit is een variant op de klassieke zittende houding, waarbij
de baby op de rechterarm ligt en de moeder het hoofdje
met de rechterarm ondersteunt. Tegelijkertijd biedt de
moeder met haar linkerhand de linkerborst aan. De houding
kan vooral in het begin zinvol zijn, omdat de moeder hier
goed kan bijsturen.
3. Zittend voeden met de baby onder de arm, bakerhouding
of rugbyhouding
Bij deze houding ligt de baby met zijn beentjes onder
de arm van de moeder. Zijn hoofdje rust in de hand van
de moeder en de rug wordt ondersteund door haar onderarm.
Op het moment dat de baby wil aanhappen brengt de moeder
hem dicht naar zich toe. Best kunnen dan kussens gebruikt
worden om de baby comfortabel met de onderarm ter hoogte
van de borst te houden.
Dit is een minder bekende houding die erg nuttig kan zijn
als de baby het moeilijk heeft om de tepel goed te pakken.
De moeder heeft immers een goed zicht op wat er gebeurt
en kan de houding van de baby controleren. Ook vrouwen
met erg zware borsten, vlakke tepels, stuwing of keizersnede
vinden deze houding vaak prettig.
4. Verticale positie van de baby
Men kan de baby ook in verticale positie voeden. De baby
zit hierbij rechtop met zijn buikje tegen de buik van
de moeder en de moeder ondersteunt de rug en het hoofdje.
In deze positie heeft de baby zelf meer controle over
de melkvloed.
5. Liggend op de zij voeden
De moeder ligt op haar zij met een kussen onder het hoofd
en in de rug. De baby ligt eveneens op zijn zij met de
mond ter hoogte van de tepel. De moeder kan haar onderste
arm onder haar hoofd of kussen leggen, en met de andere
arm de baby naar zich toe trekken wanneer hij wil aanhappen.
Deze houding is erg geschikt wanneer de moeder na de bevalling
wil vermijden om te zitten op een pijnlijk perineum of
om druk op de wonde van de keizersnede uit te oefenen.
Bovendien is het op deze manier voor de moeder mogelijk
om tijdens het voeden te rusten.
6. Liggend op de rug voeden
De moeder ligt op haar rug met wat kussens onder haar
hoofd en evt. onder de schouders. De baby ligt op zijn
buikje bovenop de moeder of gedeeltelijk op een kussen
naast haar. Het mondje van de baby komt ter hoogte van
de tepel. De moeder ondersteunt met de binnenkant van
haar hand zijn voorhoofd zodat zijn neusje niet in de
borst zakt. Het is belangrijk om er op te letten dat de
baby met de onderkaak voldoende houvast heeft doordat
hij met zijn kin vlak tegen de borst ligt.
- Hoe is de baby goed aangelegd?
- Volgende punten wijzen er op dat de baby goed is aangelegd:
- moeder en baby zien er rustig uit en voelen zich
comfortabel
- de baby neemt de tepel en een aanzienlijk deel van
het tepelhof en het borstweefsel in de mond
- de tepel reikt tot 3 à 5 mm van de plaats
waar het zachte en het harde verhemelte op elkaar
aansluiten, er wordt geen wrijving op de tepel uitgeoefend
- het topje van de tong bevindt zich verder dan de
onderste tandenboog
- de tong is trechtervormig waardoor ze de borst kan
omvatten
- de baby houdt de borst stevig vast en deze beweegt
niet in en uit het mondje
- het mondje is wijdopen gesperd en de lippen zijn
naar buiten gekruld
- de onderlip ligt verder van de basis van de tepel
dan de bovenlip en deze asymmetrie zorgt voor de optimale
positie om de tepel, het tepelhof en het borstweefsel
vast te houden
- de kin ligt dicht tegen de borst aan
- het neusje kan de borst raken, maar blijft vrij
om te ademen
- het hoofdje en lichaam van de baby liggen in één
lijn (vooral bij jonge zuigelingen van belang, bij
oudere baby’s niet meer zo noodzakelijk)
- er is een ritmisch patroon van zuigen-slikken-zuigen-slikken
(na de toeschietreflex) met af en toe een pauze, en
waarbij de kaakspieren ritmisch bewegen.
- Wat zijn de mogelijke oorzaken van een zuigstoornis?
- Bij voldragen en gezonde baby’s zijn volgende
oorzaken mogelijk:
- inbakeren, minimaal huid-op-huidcontact, alles
wat ingaat tegen de aangeboren reflexen van de baby
om aan te happen en te zuigen
- pijnstilling van de moeder tijdens de bevalling
(bijvoorbeeld epidurale verdoving)
- druggebruik van de moeder (alcohol, drugs, sedatieven)
- kunstverlossing (zuignap, verlostang), geboorte-trauma,
een snelle geboorte, zuurstoftekort bij de geboorte,
sterke vervorming van het hoofdje
- orale afkeer, bijvoorbeeld door intubatie, inbrengen
van een maagsonde, etc.
- zuigverwarring door het gebruik van een fopspeen
of tepelhoedje
- het temperament van de baby – een onrustige,
gefrustreerde en huilende baby zal moeilijk aanhappen
en zuigen, net zoals een te rustige, slaperige baby
- orale infecties zoals spruw of herpes simplex.
- Daarnaast zijn er een aantal afwijkingen van het gelaat,
de mond of de pharynx die adequaat zuigen kunnen belemmeren:
- een hoog verhemelte: door in utero te duimzuigen
of de gewoonte om de tong hoog in het verhemelte
te houden en de borst hoog in de orale caviteit
te plaatsen waardoor de tepel niet tot bij de overgang
tussen het harde en zachte verhemelte reikt
- vermits de tong een rol speelt bij de vorming van
het verhemelte kunnen afwijkingen van de tong (bijv.
een te kort tongriempje) resulteren in een afwijkend
verhemelte
een te kort tongriempje maakt dat de baby het topje
van zijn tong niet voorbij de onderste tandenboog
kan plaatsen, waardoor de melktransfer minder efficiënt
verloopt en de borst beschadigd kan worden
- een gespleten lip of verhemelte
- macroglossia of grote tong
- micrognathia of kleine, terugvallend kin.
- Tot slot zijn er een aantal disfuncties van het zenuwstelsel
die het zuigen kunnen bemoeilijken:
- spierdystrofie
- cerebral palsy
- prematuriteit
- syndroom van Down
- disfuncties ten gevolge van infecties zoals cytomegalievirus
en toxoplasmose.
- Wat zijn mogelijke oorzaken van borstweigering?
- Onder borstweigering verstaan we het systematisch weigeren
om aan de borst te drinken. Verschillende oorzaken zijn
hiervoor mogelijk.
-
- Oorzaken bij de baby
- Bij de pasgeborene:
- medicatie tijdens de bevalling
- traumatische bevalling
- pijn van een gebroken sleutelbeen
- orale aversie doordat de baby eerder gedwongen
werd om aan de borst te drinken
- Tepelverwarring door gebruik van:
- tepelhoedjes
- fopspenen
- zuigflessen
- vingervoeden
- Baby is onwel:
- luchtweginfectie
- pijnlijke keel
- verkoudheid met verstopte neus
- Gastro-oesophageale reflux:
- hierbij associeert de baby voeding met pijn
- Spruw of wondjes in de mond:
- hierdoor wordt drinken pijnlijk
- Angst:
- door een sterke toeschietreflex en de onmogelijkheid
van de baby om de borst los te laten
- doordat de neus van de baby in de borst wordt
gedrukt en hij moeilijk kan ademen
(beide bovenstaande punten worden veroorzaakt
doordat de baby wordt vastgehouden ter hoogte
van het achterhoofd en zelf geen controle heeft)
- door de reactie van de moeder wanneer de baby
gebeten heeft
- Tenslotte is het mogelijk dat de baby de borst
weigert omdat hij klaar is om gespeend te worden.
- Oorzaken bij de moeder
- moeder is onwel
- moeder heeft een trage toeschietreflex of weinig
melk
- de smaak van de melk is veranderd o.i.v. voeding
van de moeder, roken van de moeder, excessief
sporten van de moeder, medicatie of menstruatie
- de moeder ruikt anders of ziet er anders uit
dan voorheen (bvb. door een ander parfum, deodorant
te gebruiken, te zwemmen in chloorwater of een
totaal andere haarstijl of bril te dragen)
- Wat te doen bij borstweigering?
- Om het probleem te kunnen aanpakken is het allereerst
van belang om na te gaan of het werkelijk om borstweigering
gaat. Vervolgens is het nodig om de oorzaak te achterhalen
zodat een gerichte aanpak mogelijk wordt.
Bij borstweigering kan de moeder als volgt te werk gaan:
- stimuleren van de zintuiglijke input door bvb. huid-op-huidcontact
zonder te proberen de baby te voeden, met de baby in bad
te gaan
- zorg voor een stabiele positie van de baby bij het aanleggen
- vermijd om de baby aan de borst te dwingen, dit werkt
meestal contraproductief
- bied de borst aan bij de eerste hongersignalen, bvb.
als hij net wakker wordt
- kalmeer de baby door hem te wiegen, te zingen, te masseren
en bied daarna de borst aan
- voed de baby in verschillende houdingen, bvb. rechtop
staand, al wandelend, in een draagdoek, in een donkere
kamer zonder afleiding
- wees alert voor tekenen van uitdroging
- het is aangewezen dat de moeder afkolft zodat de productie
op peil blijft en de baby de afgekolfde melk uit een kopje
kan drinken.
- Tepelproblemen
- Is tepelpijn bij het opstarten van de borstvoeding
normaal?
- Ja.
Tijdens de eerste 10 dagen postpartum (met een piek tussen
dag 3 en dag 6) kunnen pijnlijke tepels bij het begin
van de voeding normaal zijn. Dit is van voorbijgaande
aard en heeft te maken met het aanpassen van de tepels
aan de borstvoeding. Bij de start van de voeding rekt
de tepel uit tot tweemaal zijn lengte en moeders ervaren
dit in het begin van de borstvoedingsperiode soms als
pijnlijk. Wanneer de pijn echter lang aanhoudt en ernstig
is of pas optreedt na een pijnloze periode, en/of de
tepels beschadigd zijn, is er sprake van tepelproblemen.
- Wat zijn mogelijke oorzaken van tepelpijn?
- Hiervoor zijn verschillende oorzaken mogelijk.
- Mechanische pijn of pijn door fysiek trauma van
de huid van de tepel/borst
Wanneer de moeder reeds kort na de geboorte tepelpijn
heeft, is dit bijna altijd mechanisch van aard.
Deze pijn ontstaat doordat de baby niet goed is
aangelegd, inadequaat zuigt of hulpmiddelen zoals
een kolf of tepelhoedjes niet correct worden gebruikt.
Wanneer de tepel na de voeding afgevlakt, rood,
gebarsten, lichter van kleur is of de tepel op een
andere manier beschadigd werd, is er wellicht sprake
van een mechanisch trauma.
Om de mechanische pijn te behandelen is het allereerst
nodig om de exacte oorzaak te achterhalen. Het aanbrengen
van moedermelk op de wondjes helpt deze te genezen.
Moedermelk heeft anti-infectieuze eigenschappen
en bevat een huidherstellende factor. Verder kunnen
warme compressen eventueel verlichting brengen.
- Pijn door infectie
Wanneer de moeder last heeft van tepelpijn, de baby
goed is aangelegd en de tepel niet vervormd is
na het voeden, kan dit wijzen op een infectie.
Meest voorkomend is een schimmelinfectie, bvb.
candida albicans. De pijn treedt op tijdens en
na de voeding. Ook pijnscheuten diep in de borst
die uitstralen naar de borst en de borstkas, en
een roze of paarse verkleuring van de tepel is
mogelijk.
Andere mogelijke infecties:
- een bacteriële infectie, bvb. staph. aureus
- een virale infectie, bvb. herpes simplex
- een parasitaire infectie (zeldzaam).
In geval van infectie is een doorverwijzing naar
de geëigende zorgverleners nodig.
- Pijn door een dermatologische conditie
Sommige dermatologische condities kunnen eveneens
een oorzaak van tepelpijn zijn:
- eczeem: atopisch of contactallergie (bvb. allergische
reactie op gebruikte tepelcrèmes)
- psoriasis
- andere huidaandoeningen.
- Pijn door vaatkramp
Vaatkramp in de tepel (fenomeen van Raynaud) wordt
veroorzaakt door onvoldoende doorbloeding van
de tepel en gaat gepaard met ernstige pijn. De
tepel wordt wit van kleur en soms blauw of rood
vooraleer terug zijn normale kleur te krijgen.
Dit kan zowel tussen als tijdens de voedingen
voorkomen. Vaak gaat het blootstellen van koude
aan de kramp vooraf en zal warmte verlichting
brengen. Als pijnstilling kan Ibuprofen gebruikt
worden. Een behandeling met nifedipine (Adalat®)
gedurende twee weken blijkt effectief.
- Pijn door een melkblaar
Een melkblaar is een klein blaasje op de tepel dat
bedekt is met een dun laagje huid en gevuld kan
zijn met wat melk. Meestal is er een wit of geel
puntje zichtbaar en is de uitgang van het melkkanaal
afgesloten. Wanneer de melkblaar niet vanzelf
verdwijnt kan men de huid van de tepel eerst verzachten
met warm water en zachtjes met een warme doek
over de tepel wrijven. Ook kan men de blaar evenwijdig
met de tepel doorprikken met een steriele naald.
Meestal is het na het doorprikken ook nodig om
de tepel te masseren en manueel wat melk af te
kolven om het verstopte melkkanaal vrij te maken.
Warme compressen en pijnstillers kunnen nodig
zijn.
- Hoe kunnen tepelproblemen behandeld worden?
- Voor het behandelen van tepelproblemen is het in eerste
instantie van belang om de oorzaak te achterhalen en deze
deskundig aan te pakken. Zelfs wanneer de moeder blijft
voeden met de beschadigde borst zal de pijn dan snel verdwijnen.
Enkel bij ondraaglijke pijn of wanneer het bloeden of
de beschadiging verergert, is het aangewezen om even niet
meer met deze borst te voeden. Het blijft dan echter belangrijk
om af te kolven zodat de melkproductie op peil blijft.
Nog al te vaak wordt aangeraden om de duur of frequentie
van de voeding te beperken om tepelpijn of –beschadiging
te voorkomen. Dit is niet aangewezen. Niet de duur of
frequentie van het voeden, maar wel de manier waarop is
immers oorzaak van de pijn.
Er is weinig bewijs dat olies, crèmes of gels die
vaak verkocht worden, ervoor zorgen dat tepelwondjes sneller
genezen of pijn wordt verlicht. Enkel voor warm water,
hydrogel en zuivere lanoline is aangetoond dat ze tepelpijn
kunnen verlichten.
- Hoe kunnen tepelproblemen voorkomen worden?
- De meest adequate preventiemaatregel is het aanleren
van een goede positionering. Huidskleur, haarkleur en
prenatale voorbereiding van de tepel zijn niet gerelateerd
aan tepelpijn.
- Kan het gebruik van een tepelhoedje helpen bij
tepelproblemen?
- Over het algemeen is het gebruik van een tepelhoedje
afgeraden. In een aantal gevallen kan het echter een tijdelijke
oplossing bieden bij ernstige tepelproblemen. Het is dan
belangrijk dat moeder en baby hierin deskundig worden
begeleid zodat verantwoord en correct gebruik gegarandeerd
is.
- Wat zijn de mogelijke problemen bij het gebruik
van een tepelhoedje?
- Ook bij correct gebruik kunnen zich problemen voordoen.
Hierbij denken we vooral aan:
- een verminderde melktransfer en hieruit volgend een
verminderde productie
- in stand houden van de pijnlijke tepels omdat er onvoldoende
borstweefsel in de mond genomen wordt
- gewenning van de baby aan het tepelhoedje waardoor de
baby mogelijk niet meer rechtstreeks aan de borst wil
drinken.
- verergering van kloven of wondjes door het schuren van
de tepel in een tepelhoedje dat qua grootte niet aangepast
is aan de tepel
- meer kans op infecties
- Hoe kan je op een verantwoorde manier een tepelhoedje
gebruiken?
- Om van verantwoord gebruik van een tepelhoedje te spreken
is het nodig dat:
- reeds alle andere mogelijkheden om de baby rechtstreeks
aan de borst te laten drinken zijn uitgeput
- de moeder beslist op basis van correcte informatie over
de voor- en nadelen
- men bij voorkeur kiest voor een dun tepelhoedje uit
silicone, in de juiste maat
- men de moeder uitlegt hoe het tepelhoedje correct te
gebruiken en dit observeert
- de baby even diep aanhapt als wanneer hij rechtstreeks
aan de borst drinkt
- de moeder weet hoe ze kan merken of de baby voldoende
melk krijgt en regelmatig wat afkolft (o.w.v. evt. verminderde
melktransfer bij tepelhoedje)
- er afspraken voor opvolging en begeleiding worden gemaakt
met de moeder.
Gebruiksinstructies:
- draai de basis van het tepelhoedje binnenstebuiten alvorens
het aan te brengen
- bevochtig de randen zodat het beter op zijn plaats blijft
- breng eventueel wat moedermelk aan op de buitenkant
om de baby aan te moedigen
- laat de baby diep aanhappen zodat het mondje zich niet
sluit op het speentje en de baby niet enkel op het tepelhoedje
zuigt
- controleer bij voorkeur het gewicht om de drie dagen
tot de melktoevoer stabiel is
- controleer de borsten op verstopte melkkanaaltjes of
gebieden die niet goed leeggedronken worden
Onderhoud:
- na elk gebruik spoelen met koud water en daarna goed
reinigen met heet water en zeep, afspoelen en droog bewaren
- bij schimmelinfectie of een andere infectie op de areola
is het nodig om het tepelhoedje te steriliseren in kokend
water
- Borstvoeding bij aangeboren aandoeningen
- Is borstvoeding geven mogelijk in geval van een
gespleten lip en/of verhemelte?
- Ja. Het is niet altijd evident en vraagt bijkomende
inspanningen zowel van de moeder als van zorgverleners.
Toch is borstvoeding zeker in dit geval van grote waarde.
Volgende factoren spelen een rol bij de mogelijkheid om
borstvoeding te geven in geval van een gespleten lip en/of
verhemelte:
- de ernst van de aandoening
- de kennis, de vaardigheden en motivatie van de moeder
- een goede begeleiding en steun voor de moeder
- de bereidheid van de baby om evt. verschillende
hulpmiddelen voor het voeden te accepteren
- de emotionele draagkracht van de ouders om met deze
aandoening om te gaan.
- Aandachtspunten bij een gespleten lip
Meestal wordt de opening opgevuld door het soepele borstweefsel
van de moeder. Zoniet kan de moeder met haar vinger
de opening afsluiten. Op deze manier kan de baby drinken
zonder lucht te happen. Wanneer de opening bilateraal
is kan de moeder haar duim gebruiken om zo een vacuüm
te creëren. Meestal zal de baby luidruchtig drinken
en vaak moeten boeren. Eventueel extra kolven om de
melkproductie te ondersteunen. Een verticale houding
(vb. rugligging) is aan te bevelen omwille van betere
vacuümvorming en minder risico op verslikken.
Aandachtspunten bij een gespleten verhemelte
Deze situatie zorgt meestal voor meer moeilijkheden. De
baby kan moeilijk houvast vinden en de borst in zijn mond
houden. Bovendien kan het vacuüm dat nodig is om
te drinken niet ontstaan doordat er een verbinding is
tussen mond en neus. Vaak wordt daarom al vroeg een verhemelteplaatje
gebruikt. De baby kan de neiging hebben om alleen op de
tepel te zuigen. Het is dan ook belangrijk om het aanleggen
goed te begeleiden. Door de baby rechtop zittend te voeden
wordt voorkomen dat de melk via het neusje weer wegvloeit
en de baby zich verslikt. Mogelijk zal de moeder gedurende
lange tijd moeten afkolven en wordt de baby (bij)gevoed
met een kopje. In geval van een gespleten verhemelte is
het onwaarschijnlijk dat de baby voldoende zal groeien
met exclusieve borstvoeding en zal bijvoeden nodig zijn.
- Wat is het belang van borstvoeding bij baby’s
met een gespleten lip en/of verhemelte?
- Allereerst heeft moedermelk belangrijke voordelen vanwege
de beschermende werking. Kinderen met een gespleten lip
en/of verhemelte lopen meer risico op oorontstekingen
en luchtweginfecties. Borstvoeding beschermt tegen deze
infecties. Onderzoek toonde aan dat borstgevoede baby’s
met gespleten lip/verhemelte 75% minder oorontstekingen
doormaakten dan kunstgevoede baby’s met dezelfde
aandoening. De anti-infectieuze werking en groeifactoren
in borstvoeding zijn ook na een operatie belangrijk. Het
zorgt ervoor dat de wonde sneller geneest en er minder
infecties van de wonde optreden. Verder is moedermelk
minder agressief dan kunstvoeding waardoor het minder
erg is wanneer de baby zich verslikt.
Daarnaast zorgt borstvoeding voor een optimale groei van
de baby. Indien de operatie wordt uitgesteld totdat de
baby een vooropgesteld gewicht heeft bereikt kan dit ook
in dit verband belangrijk zijn.
Bovendien worden de spieren van gezicht en mond geoefend
door het zuigen aan de borst, waardoor een normale ontwikkeling
van het gezicht en spierkracht worden gestimuleerd.
Ten slotte vormt de tijd die men besteedt aan borstvoeding
ook een investering in hechting, socialisatie en huidcontact.
- Wat als er een operatie nodig is voor een gespleten
lip en/of verhemelte?
- In de periode voor de operatieve behandeling kan gebruik
gemaakt worden van hulpmiddelen om de diepte van de spleet
te reduceren (bvb. verhemelteplaatje).
Verschillende studies hebben aangetoond dat het opportuun
is om na een operatie van de lip de baby onmiddellijk
opnieuw aan te leggen en niet eerst te voeden met een
kopje of spuitje. Bij een operatie aan het verhemelte
kan het initieel pijnlijk zijn voor de baby om de tepel
in de mond te nemen. Doordat de tepel echter zacht is
kan dit geen kwaad. Drinken aan een kunstspeen is echter
af te raden o.w.v. mogelijke beschadigingen aan het verhemelte.
Welke moeilijkheden kunnen zich voordoen bij borstvoeding
aan een baby met gespleten lip en/of verhemelte?
De meest voorkomende problemen zijn:
- moeilijkheden met aanhappen en zuigen
- stuwing
- melkproductie die traag op gang komt
- matige groei van de baby.
- Is het mogelijk om borstvoeding te geven aan een
baby met neurologische problemen?
- Ja. Hoewel dit gepaard gaat met moeilijkheden om de
baby te voeden, is het net voor deze baby’s erg
belangrijk dat ze borstvoeding krijgen (zie verder).
- Wat is het belang van borstvoeding voor een baby
met neurologische problemen?
- Vermits neurologische aandoeningen een verhoogd risico
op infecties impliceren, is borstvoeding vooral belangrijk
o.w.v. de anti-infectieuze werking. Bovendien worden tijdens
het drinken de spieren van het gezicht en de mond goed
geoefend. Verder gaan sommige neurologische aandoeningen
gepaard met hartafwijkingen. Ook hier is borstvoeding
opportuun omdat het minder stress bij de baby veroorzaakt
dan het voeden met de fles, waardoor de baby zijn zuurstofsaturatie
en temperatuur gemakkelijker op peil kan houden.
- Welke problemen kunnen zich voordoen bij borstvoeding
aan een hypotone baby?
- In geval van lage spierspanning (zoals bvb. bij het
syndroom van Down) heeft de baby moeite met het instandhouden
van het vacuüm tijdens het drinken aan de borst.
De baby kan de borst niet goed vasthouden, zuigt slechts
zwak, kan de lippen niet stevig sluiten en de tong is
minder beweeglijk. Vaak moeten deze baby’s gewekt
worden voor een voeding.
- Welke problemen kunnen zich voordoen bij borstvoeding
aan een hypertone baby?
- In geval van hoge spierspanning is de baby vaak erg
gevoelig voor prikkelingen in en rond de mond. Deze baby’s
vertonen zeer snel een braakreflex. Aan de borst hebben
ze de neiging om naar achter te buigen, te overstrekken,
te kokhalzen en zich te verslikken.
- Wat zijn de aandachtspunten voor borstvoeding
bij een hypotone baby?
- Volgende punten kunnen helpen om de baby goed te laten
drinken:
- een goede ondersteuning van de onderkaak of kin kan
de baby helpen om de borst goed te omsluiten en het borstweefsel
efficiënt samen te drukken
- het ondersteunen van het hoofdje voorkomt dat het naar
achteren valt
- een borstvoedingshulpset gebruiken zodat de baby voldoende
melk kan drinken alvorens in slaap te vallen
- rechtop voeden, tegen hem praten, minder warm kleden,
strelen en vaker van borst wisselen om de baby alert te
houden
- evt. speciale oefeningen voorzien om de mond- en gezichtsspieren
extra te oefenen
- opvolging en begeleiding door een multidisciplinair
team.
Hypotone baby’s gelijken in vele opzichten op premature
baby’s: ze zullen geleidelijk aan beter leren zuigen,
slikken en ademhalen.
- Wat zijn de aandachtspunten voor borstvoeding
bij een hypertone baby?
- Volgende punten kunnen helpen om de baby goed te laten
drinken:
- zorg voor een rustige omgeving
- voed evt. in een ronde houding om overstrekken tegen
te gaan
- vermijd overprikkeling in en rond de mond: hierdoor
wordt kokhalzen en verslikken voorkomen
- vaak is zuigtraining door een deskundige zorgverlener
nodig (vb. gespecialiseerde logopedist of kinesitherapeut)
- soms kan het helpen dat de moeder voorzichtig het puntje
van de tong aanraakt en naar achter brengt. Zo leert de
baby bovendien een lichte druk op de tong te verdragen.
Door zachtjes met een vinger over het verhemelte te gaan
wordt de zuigreflex gestimuleerd
- opvolging en begeleiding door een multidisciplinair
team en een lactatiekundige.
- Borstvoeding bij prematuriteit
- Is de nutritionele samenstelling van moedermelk
aangepast aan de noden van een premature baby?
- Ja. De samenstelling van moedermelk die aangemaakt wordt
bij een vroegtijdige bevalling is lichtjes anders dan
bij een voldragen zwangerschap. Deze melk bevat hogere
concentraties aan:
- eiwitten, vetten en energie
- natrium, chloride, kalium, calcium, ijzer en magnesium.
Geleidelijk aan (na +/- 3 weken) neemt het eiwitgehalte
af en is er een toename van de vetten, lactose en energie.
Deze samenstelling komt tegemoet aan de hoge behoefte
aan eiwitten en energie van de premature baby om zijn
optimale groei te bereiken.
- Wanneer is het nodig om de moedermelk te verrijken?
- Wanneer de baby een geboortegewicht van minder dan 1500
gr heeft is exclusieve borstvoeding ontoereikend. In dit
geval dient de moedermelk verrijkt te worden met ‘fortifiers’.
Dit is slechts tijdelijk. Het is belangrijk dat de moeder
weet dat de belangrijke antistoffen van moedermelk hiermee
niet vervangen worden. Deze ‘fortifiers’ zijn
meestal op basis van koemelk en voegen eiwitten, calcium,
vitaminen en fosfaten toe aan afgekolfde melk.
- Wat zijn de nadelen van het verrijken van moedermelk?
- Hoewel deze verrijking aangewezen kan zijn, zijn er
ook risico’s aan verbonden. Daarom dient men dit
weloverwogen te doen en niet als routinemaatregel bij
grotere baby’s toe te passen. Volgende nadelen zijn
bekend:
- een tragere maaglediging en mogelijke voedingsintolerantie
- de voeding wordt geconcentreerder wat het risico op
gastro-intestinale aandoeningen verhoogt
- sommige anti-infectieuze eigenschappen van moedermelk
(bvb. lactoferrine) worden geneutraliseerd
- het risico op infectie neemt toe
- het risico op contaminatie van de melk neemt toe
- het introduceert koemelkeiwit in de voeding waardoor
het risico op koemelkeiwitallergie toeneemt.
- Is de immunologische samenstelling van moedermelk
aangepast aan de noden van een premature baby?
- Ook op immunologisch vlak is de samenstelling van moedermelk
lichtjes anders bij moeders die prematuur bevallen zijn.
In deze moedermelk wordt op verschillende momenten in
de borstvoedingsperiode een hogere concentratie aan antimicrobiële
agenten en antistoffen vastgesteld.
Het colostrum van prematuur bevallen moeders bevat hogere
concentraties aan:
- IgA
- lysozomen
- lactoferrine
- macrofagen
- lymfocyten
- neutrofielen.
- Bovendien kan de moeder haar lichaam aanzetten tot het
aanmaken van specifieke antilichamen tegen ziekenhuisinfecties
door zoveel mogelijk tijd door te brengen in de onmiddellijke
omgeving van de baby. Dit biedt de premature baby extra
bescherming.
- Wat zijn de psychologische voordelen van borstvoeding
bij een premature baby?
- Bij premature baby’s is bekend dat er vaker hechtingsproblemen
ontstaan. Wanneer het mogelijk is om de eerste zorgen
toe te dienen terwijl de baby op de borst van de moeder
ligt, zal dit huid-op-huidcontact de oxytocine-secretie
bij de moeder stimuleren. Dit oxytocine-gehalte komt de
hechting met de moeder en de kans op een succesvolle borstvoeding
ten goede.
- Wat zijn aandachtspunten bij het opstarten van
de borstvoeding bij een premature baby?
- Meestal zal de melkproductie op gang moeten worden gebracht
met een kolf en dit liefst zo snel mogelijk na de bevalling – zeker
binnen zes uur.
Tot de melkproductie op peil is zal de moeder minstens
acht keer per dag moeten afkolven, ook ’s nachts.
Het is immers de bedoeling om het drinkpatroon van een
aterme baby na te bootsen. De moeder kan afwisselen tussen
kolven met een toestel en kolven met de hand. Dubbelzijdig
elektrisch afkolven geeft de beste stimulatie. Vaak wordt
de toeschietreflex belemmerd door de afwezigheid van de
baby en de bezorgdheid hierom. De toeschietreflex is echter
noodzakelijk om tot een toereikende hoeveelheid melk te
komen. Het kan helpen om naast de couveuse af te kolven
of een foto van de baby te bekijken. Soms zal het gebruik
van een neusspray met oxytocine nodig zijn om de toeschietreflex
vergemakkelijken.
- Wat zijn aandachtspunten bij het onderhouden van
de borstvoeding bij een premature baby?
- Wanneer de melkproductie goed op gang is gebracht, blijft
het nodig om regelmatig af te kolven als de baby nog niet
zelf kan drinken. De melkproductie zal immers afnemen
als de borst minder vaak geleegd wordt. Doelstelling is
om vanaf dag 10 postpartum minstens 600 ml/dag af te kolven.
Hoe vaak de moeder hiervoor moet kolven hangt af van de
opslagcapaciteit van haar borsten. Bij problemen met de
melkproductie kan het helpen om:
- de borst te masseren en met de hand af te kolven
- huid-op-huidcontact met de baby te hebben
- af te kolven naast de baby
- de lege borst extra te stimuleren
- professionele steun en steun van lotgenoten te zoeken
- actief betrokken te zijn in het voedingsplan van de
baby
Daarnaast kunnen lactatiestimulerende middelen zoals Motilium® aangewezen
zijn. Toch is dit enkel succesvol als er daarnaast ook
voor gezorgd wordt dat de borsten voldoende vaak worden
geleegd.
- Wat zijn aandachtspunten bij het gebruik van afgekolfde
moedermelk voor een premature baby?
- Allereerst is het belangrijk dat de moeder goed geïnformeerd
wordt over hoe ze de melk hygiënisch en veilig kan
afkolven en bewaren. De afgekolfde moedermelk wordt best
in onderstaande volgorde aan de baby gegeven:
- allereerst het colostrum dat werd bekomen in de eerste
vier dagen postpartum
- vervolgens de meest verse melk eerst: d.w.z. recent
afgekolfd (binnen vier uur) en niet gekoeld
- vervolgens de gekoelde melk
- ingevroren melk wordt pas gegeven indien er geen verse
of gekoelde melk voorradig is.
De aanbevelingen voor gebruik van moedermelk in geval
van ziekte bij de moeder verschillen voor de premature
baby niet met deze voor een aterme baby. Uitzondering
op de regel is het cytomegalievirus. Wanneer de moeder
van een zeer vroeg geboren baby recentelijk geïnfecteerd
is met cytomegalie, is het aangewezen om de moedermelk
eerst te pasteuriseren (62,5°C gedurende 30 min).
- Wanneer is een premature baby klaar om rechtstreeks
aan de borst te drinken?
- Dit is afhankelijk van de ontwikkeling van zijn zuig-
en slikreflex en zijn algehele toestand. Leeftijd en gewicht
spelen meestal een ondergeschikte rol.
Om na te gaan of de baby klaar is om over te gaan van
sonde- naar borstvoeding dient men volgende punten te
evalueren:
- zuigt de baby spontaan?
- gaat het om niet-nutritief of nutritief zuigen; en wordt
na 3 tot 5 keer nutritief zuigen gepauzeerd?
- is er een aanzienlijk verschil tussen nutritief en niet-nutritief
zuigen van de baby?
- is er een diepe kaakbeweging?
- is er zuigkracht?
- hoe is de tongbeweging?
- verloopt het zuigen, slikken en ademhalen gecoördineerd?
Meestal geeft de baby zelf aan wanneer hij klaar is om
te drinken aan de borst. Wanneer hij tijdens de sondevoeding
alert is en kleine mondbewegingen maakt, kan men proberen
hem aan de borst te leggen. Hierbij is het belangrijk
dat de baby de kans krijgt om positieve ervaringen op
te doen door hem de tijd te geven rustig de borst te besnuffelen
of te likken. Bij heel wat premature baby’s is er
immers sprake van een orale aversie door aspiratie, intubatie
of inbrengen van voedingssondes.
- Hoe kan men een premature baby helpen om goed
aan te happen?
- Volgende punten kunnen helpen om te zorgen dat de baby
diep en goed aanhapt:
- de borst door massage wat zachter maken door massage
alvorens aan te leggen
- evt. kan de moeder haar borsten en tepels vooraf voorzichtig
masseren en stimuleren zodat de melk vlotter komt en de
baby de tepel makkelijk vindt
- de baby ondersteunen zodat hij zonder inspanning dicht
tegen de moeder blijft aanliggen: voeden met de baby onder
de arm of in doorgeschoven houding is hiervoor geschikt
- de borst vasthouden en zodanig vormen dat de baby makkelijk
aanhapt en voorkomen wordt dat de borst het kinnetje van
de baby wegdrukt
- een tepelhoedje gebruiken als het rechtstreeks drinken
aan de borst nog moeilijk is
- borstcompressie toepassen zodat de melktoevoer gestimuleerd
wordt
- een goede melkproductie in stand houden zodat de melk
steeds makkelijk vloeit.
- Ijzer- en vitaminesuppletie
- Is ijzersuppletie nodig bij exclusieve borstvoeding
tot de leeftijd van zes maanden?
- Nee.
Hoewel het ijzergehalte in borstvoeding relatief laag
is, komt een ijzertekort bij borstgevoede baby’s
slechts zelden voor. Minstens tot de leeftijd van 9
maanden slagen zij erin om hun ijzergehalte op hetzelfde
niveau te houden als baby’s die kunstvoeding en
ijzersupplementen krijgen. Gezonde voldragen baby’s
krijgen bij geboorte een ijzerreserve mee en bovendien
zorgt het hoge lactose- en vitamine C-gehalte in moedermelk
ervoor dat het ijzer uit moedermelk bijzonder goed wordt
opgenomen.
Extra ijzer toedienen aan gezonde en voldragen baby’s
die zes maanden exclusieve borstvoeding krijgen, is zelfs
af te raden. Het kan er immers voor zorgen dat het ijzerbindend
vermogen van lactoferrine in de moedermelk en de anti-infectieuze
eigenschappen hiervan verloren gaan.
- Is een supplement vitamine D nodig bij borstvoeding?
- Vitamine D wordt in de huid gevormd op basis van cholesterol
wanneer men blootgesteld wordt aan UVB-stralen. Een blootstelling
aan zonlicht van een volledig geklede baby gedurende 30min
tot 2uur per week is in principe voldoende om het vitamine
D-gehalte op peil te houden. Hoewel een tekort aan vitamine
D niet frequent voorkomt bij borstgevoede kinderen, wordt
systematische preventieve toediening van een supplement
van 400 IE vitamine D vanaf de geboorte aanbevolen de
eerste 2 levensmaanden tot zolang de borstvoeding exclusief
is als melkvoeding.
Extra toediening van vitamine D binnen bepaalde grenzen
is immer veilig terwijl een tekort aan vitamine D erg
moeilijk op te sporen is en ernstige gevolgen kan hebben
(rachitis). Vooral kinderen met een donker gepigmenteerde
huid zijn gevoelig voor een vitamine D-tekort. Bij hen
wordt 600 IE aanbevolen.
- Is een supplement vitamine K nodig bij borstvoeding?
- Vitamine K is essentieel voor de bloedstolling. Een
tekort aan vitamine K kan leiden tot gevaarlijke bloedingen.
Daarom wordt aanbevolen om elk kind na de geboorte 1mg
vit K toe te dienen. Dit gebeurt bij voorkeur intramusculair,
2e keuze is oraal. Krijgt het kind dit oraal toegediend
dan is ingeval van borstvoeding het aanbevolen vanaf de
geboorte tot 3 maanden extra vit K toe te dienen. Dit
kan een dagelijkse dosis zijn van 25 mcg/dag of een wekelijkse
dosis van 2mg/week.
- Transfer van medicatie in moedermelk
- Mag de moeder medicatie innemen tijdens de borstvoedingsperiode?
- Het innemen van medicatie tijdens de borstvoedingsperiode
geeft vaak minder problemen dan algemeen wordt aangenomen.
Hoewel er sporen van de meeste medicatie in de moedermelk
terechtkomen, is de invloed op de baby meestal verwaarloosbaar.
Sommige stoffen worden niet door het lichaam van de baby
opgenomen. Bijna steeds is er een geneesmiddel voorhanden
dat geen nadelige gevolgen heeft voor de baby. Ook langdurig
gebruik van medicatie voor hypertensie, depressie, tbc
of epilepsie kan compatibel zijn met borstvoeding.
- Hoe kan men het risico van medicatiegebruik bij
borstvoeding evalueren?
- Als medicatie nodig is, is het belangrijk om een individuele
risico-inschatting te maken. Een nuttig instrument voor
de risico-evaluatie is de gids van Th. Hale (2005) waarin
medicatie wordt ingedeeld in verschillende risicocategorieën,
gaande van ‘zeer veilig’ tot ‘tegenaangewezen’.
Bij het evalueren van het risico dient men de leeftijd
en de algemene conditie van de baby mee in rekening te
brengen. De (im)maturiteit van het gastro-intestinale
systeem, de lever en de nieren heeft nl. een effect op
hoe de medicatie wordt opgenomen, gemetaboliseerd en afgevoerd.
Naast de leeftijd speelt het gewicht eveneens een rol,
alsook het feit of de baby nog exclusief borstvoeding
krijgt dan wel reeds fruit en/of groenten eet.
- Hoe kan men de transfer van medicatie in moedermelk
beperken?
- Volgende tips beperken de transfer van medicatie in
moedermelk:
- Voed de baby net voordat de medicatie wordt ingenomen.
- Vermijd voeden op het moment dat de plasmaspiegel bij
de moeder piekt.
- Wanneer de medicatie erg vetoplosbaar is, kan de moeder
een overvloedige melkproductie onderhouden door te kolven
na het voeden. Vervolgens dient de moeder deze melk weg
te - gieten. Door het hogere vetgehalte zal de concentratie
aan medicatie in deze melk ook hoger zijn.
- De moeder kan op voorhand afkolven en melk bewaren wanneer
ze weet dat ze voor een bepaalde tijd medicatie zal moeten
nemen die incompatibel is met borstvoeding.
- Ook met medicatie die vrij verkrijgbaar is, dient voorzichtig
omgesprongen te worden. Zo zijn er bvb. aan het gebruik
van aspirine belangrijke bijwerkingen verbonden. Kies
indien mogelijk voor medicatie die plaatselijk wordt toegediend
(bvb. neusdruppels i.p.v. systematische antihystaminica).
Middelen die plaatselijk gebruikt worden leiden tot minder
hoge plasmaspiegels bij de moeder.
- Kies indien mogelijk medicatie die ook bij kinderen
wordt gebruikt en als veilig wordt beschouwd.
- Kies indien mogelijk medicatie met een korte halfwaardetijd,
een hoge proteïnebinding, een hoog moleculair gewicht
of lage biologische beschikbaarheid.
- Welke medicatie remt de melkproductie af?
- Pseudoephedrine komt voor in verschillende neussprays
die vrij te koop zijn in de apotheek en is geassocieerd
met een significante daling van het melkvolume en het
prolactinegehalte.
- De hormonale anticonceptiepil waarbij oestrogenen
en progesteronen worden gecombineerd heeft een negatief
effect op de melkproductie. Daarom is het aangewezen
om te kiezen voor een anticonceptiepil die geen
oestrogenen maar enkel laaggedoseerde progesteronen
bevat (minipil). Ook deze pil kan bij gebruik kort
na de bevalling echter voor een verminderde melkproductie
zorgen. Het is dan ook aan te raden om het gebruik
zolang mogelijk (zeker tot 6 weken postpartum) uit
te stellen.
- Verder geven sommige studies aan dat een overmatige
toediening van pyridoxine (vitamine B6) de melkproductie
afremt. Terwijl de dagelijks aanbevolen dosis 1,6
mg bevat, voorzien de meeste supplementen in 25 mg/dag.
Aangetoond is dat doses van 600 mg/dag een verminderde
prolactinesecretie met zich meebrengen.
- Andere lactatieremmende medicijnen zijn levodopa,
phenelzine, ergocriptine, barbituraten, apomorfine
en alcohol.
- Daarnaast zijn er een aantal medicijnen die intentioneel
de lactatie onderdrukken, zoals bromocriptine en cabergoline.
Het gebruik van bromocriptine als lactatieremmer wordt
echter afgeraden o.w.v. ernstige bijwerkingen.
- Welke medicatie is tegenaangewezen bij borstvoeding?
- Een aantal medicijnen zijn duidelijk tegenaangewezen
tijdens de borstvoedingsperiode. We geven een overzicht.
- antineoplastische agentia die gebruikt worden bij de
behandeling tegen kanker
- radiopharmaceutica
- retinoïden
- chloramphenicol
- lithium
- phenindione
- tetracyclines
- Hoewel vaak als tegenaangewezen beschouwd, is het gebruik
van metronizadole (Flagyl®) compatibel met borstvoeding.
- Voeding van de moeder
- Wat is de voedingsbehoefte van een voedende moeder?
- Een voedende moeder heeft in principe geen uitgesproken
grotere caloriebehoefte. De vetreserves die in de zwangerschap
zijn aangelegd worden tijdens de borstvoeding aangesproken.
De totale caloriebehoefte per dag bedraagt ongeveer 2500.
Voor de melkproductie zijn er per dag 700 calorieën
nodig, waarvan de moeder er 200 haalt uit vetreserves
en 500 dient op te nemen door extra voeding.
Over het algemeen heeft een voedende moeder geen nood
aan vitaminesupplementen. Dit op voorwaarde dat ze voldoende
gevarieerd, evenwichtig en gezond eet.
Wat de inname van vocht betreft, geldt dat de moeder voldoende
drinkt wanneer ze tegemoetkomt aan haar eigen dorstgevoel,
met een minimum van 1.5 liter per dag. De urine is dan
helder tot lichtgeel.
- Is de moedermelk van een moeder die geen optimaal
dieet heeft kwalitatief nog toereikend?
- Alhoewel een optimale voeding dient nagestreefd te worden,
kunnen we dit enigszins matigen door de wetenschap dat
ook vrouwen van wie het dieet niet optimaal is, borstvoeding
kunnen geven. Zelfs als de voeding beperkt is, zal het
lichaam de beschikbare nutriënten zeer efficiënt
aanwenden. In geval van chronische ondervoeding zullen
de nutriënten die noodzakelijk zijn voor de moedermelk
gemobiliseerd worden uit de reserves van de moeder, dit
ten koste van de gezondheid van de moeder.
- Mag een voedende moeder tijdens de borstvoedingsperiode
op dieet gaan?
- Een geleidelijke gewichtsafname door een verminderde
calorie-inname heeft geen nadelige effecten voor de kwantiteit
of kwaliteit van de moedermelk. Moeders die op dieet wensen
te gaan tijdens de borstvoeding, dienen echter aangemoedigd
te worden om dit niet te drastisch te doen. Wanneer de
moeder te snel vermagert, zullen de vetoplosbare toxines
en contaminanten die opgeslagen zijn in de vetreserves
van de moeder vrijkomen in de moedermelk. Bovendien kan
een sterk verminderde calorie-inname van de moeder sommige
baby’s onrustig maken en leiden tot een verminderde
gewichtstoename bij de baby.
- Is de moedermelk van een moeder die vegetarisch
eet kwalitatief toereikend?
- Een vegetarisch dieet stelt over het algemeen geen problemen
voor borstvoeding. Wel is het van belang om op de inname
van ijzer en vitamine B te letten. Belangrijke bronnen
van deze voedingsstoffen zijn graanproducten, peulvruchten,
eieren, noten, tahoe, tempé en andere sojaproducten.
Doordat ijzer uit plantaardige bronnen minder goed wordt
opgenomen, is het van belang om bij iedere maaltijd een
vitamine C-rijk product te gebruiken ter bevordering van
de ijzeropname.
- Is de moedermelk van een moeder die veganistisch
eet kwalitatief toereikend?
- Een veganistisch dieet is erg restrictief en bevat geen
enkel product van dierlijke oorsprong. Mogelijk vertoont
de moedermelk van veganistische vrouwen een verminderde
concentratie aan calcium, magnesium en vitamine B12. Deze
moeders dienen aangemoedigd te worden om voldoende calorieën
in te nemen, extra eiwitten te consumeren en te kiezen
voor voeding die rijk is aan ijzer, calcium, vitamine
D en riboflavine. Speciale aandacht is dus nodig voor
vitamine B12 aangezien we deze enkel vinden in dierlijke
producten, versterkte soja, vleesvervangers of vitamine
B12-supplementen.
- Zijn er voedingsmiddelen die een voedende moeder
niet mag eten?
- Wanneer er geen aanwijzingen zijn dat de baby allergisch
is en er geen allergieën bij naaste familieleden
zijn, hoeft een voedende moeder niet speciaal op haar
voeding te letten. Toch kan het gebeuren dat de baby reageert
op bepaalde voedingsmiddelen die de moeder eet. In de
meeste gevallen zal de baby hier later geen hinder meer
van ondervinden, ook als hij nog borstvoeding krijgt.
Bij ongeveer 4 tot 6% van de kinderen is er sprake van
een voedselallergie. Wanneer een kind met een verhoogd
risico op allergieën reeds gesensibiliseerd is (eerste
blootstelling aan de allergene stof), kan een allergische
reactie worden uitgelokt door de eiwitten die via de voeding
van de moeder in de moedermelk terechtkomen. Het is dan
aan de moeder om via eliminatie, belasting en re-eliminatie
na te gaan welk voedingsmiddel de allergische reactie
uitlokt en dit voedingsmiddel vervolgens een tijdlang
te vermijden. De meest voorkomende allergenen in moedermelk
zijn koemelk en melkproducten. Anderen zijn: chocolade,
cola, maïs, citrusvruchten, tarwe en pindanoten.
- Sociale en illegale drugs
- Wat is effect van nicotine op de borstvoeding?
- Moeders die roken geven over het algemeen minder lang
borstvoeding en hebben een verminderd melkvolume, wellicht
door een lager prolactinegehalte.
- Wat is het effect van nicotine op de gezondheid
van de baby?
- De concentratie nicotine in het plasma van de moeder
en in de moedermelk zijn sterk gerelateerd. Het nicotinegehalte
in de bloedstroom van de baby is hoger door passief roken
dan door inname van nicotine via de moedermelk, maar beide
effecten versterken elkaar.
Kinderen waarvan de ouder(s) roken in huis, lopen een
verhoogd risico op ziekenhuisopname, aandoeningen van
de luchtwegen en maagdarmziekten. Er is eveneens een significant
verhoogd risico op wiegendood. Wanneer deze kinderen borstvoeding
krijgen, zal dit helpen om te beschermen tegen de verhoogde
risico’s die passief roken met zich meebrengt.
Wanneer de moeder rookt gaat de smaak van nicotine eveneens
over in de moedermelk. Hierdoor kan de baby onrustig worden
of de borst weigeren. Andere mogelijke gevolgen zijn:
overgeven, diarree, rusteloosheid, kolieken en een verhoogde
hartslag.
- Wat is het effect van alcohol op de borstvoeding?
- Alcohol komt via passieve diffusie in de moedermelk
terecht, waar een concentratie bereikt wordt die quasi
gelijk is aan de concentratie in de bloedstroom van de
moeder. Alcohol verandert de smaak en de geur van moedermelk.
Na 2 glazen alcohol wordt de secretie van oxytocine, die
nodig is voor de toeschietreflex, reeds (gedeeltelijk
of volledig) geïnhibeerd. Na 1 glas alcohol wordt
een terugval van de melkproductie met meer dan 20% vastgesteld.
- Wat is het effect van alcohol op de gezondheid
van de baby?
- Hoe jonger het kind, hoe schadelijker de blootstelling
aan alcohol.
Wanneer de moeder één glas alcohol per dag
drinkt wordt reeds een verminderde psychomotorische ontwikkeling
bij de baby vastgesteld. Hetzelfde effect wordt bereikt
wanneer men niet elke dag maar één keer
per week kort na mekaar vijf glazen alcohol drinkt. Ook
toont onderzoek aan dat één glas alcohol
er reeds voor zorgt dat de baby meer gaat zuigen maar
minder melk krijgt en licht gesedeerd raakt.
Meer dan twee glazen alcohol kan er bovendien voor zorgen
dat het beoordelingsvermogen van de moeder afneemt en
ze niet meer optimaal kan functioneren. Ook dit heeft
gevolgen voor de baby.
- Wat is het effect van cafeïne op de borstvoeding?
- De mate waarin cafeïne overgaat in moedermelk is
individueel afhankelijk van hoe snel het lichaam van de
moeder deze stof absorbeert en elimineert. In het algemeen
geldt dat de concentratie aan cafeïne in moedermelk
piekt ongeveer een uur na inname door de moeder.
- Wat is het effect van cafeïne op de gezondheid
van de baby?
- Wanneer de moeder één of twee koppen koffie
drinkt ondervindt de baby hiervan geen last. Voor pasgeboren
baby’s duurt het echter 80u voor ze cafeïne
gemetaboliseerd hebben waardoor de cafeïne zich kan
opstapelen.
Het drinken van drie of meer koppen koffie per dag is
geassocieerd met een significant verminderde ijzerconcentratie
in de moedermelk. Op lange termijn kan dit leiden tot
ijzertekort bij de baby. Verder vertoont de baby mogelijk
onrust, irritatie en slapeloosheid. Wanneer de moeder
ook nog rookt, wordt het effect van de cafeïne versterkt.
- Wat is het effect van marihuana/cannabis op de
borstvoeding?
- De actieve component van marihuana (THC) is vetoplosbaar
en stapelt zich bij ernstig gebruik op in de moedermelk
en blijft er lange tijd actief. Hoewel er in moedermelk
hogere concentraties worden vastgesteld dan in het plasma
van de moeder, is deze concentratie zelfs bij zware gebruikers
te laag om significante bijwerkingen voor de baby te hebben.
Net zoals bij nicotine zal de baby echter bij passief
roken aanzienlijke hoeveelheden absorberen.
Sommige studies stellen een verminderde melkproductie
vast bij marihuanagebruik, doordat het basale prolactinegehalte
wordt verlaagd.
- Wat is het effect van marihuana/cannabis op de
gezondheid van de baby?
- De effecten van marihuana voor de baby blijven zwaar
bediscussieerd en bewijzen voor de gevolgen op lange termijn
zijn niet voorhanden. Studies bij dieren stellen vast
dat pasgeboren dieren structurele wijzigingen in de hersenen
vertonen wanneer ze via de moedermelk worden blootgesteld
aan marihuana.
De eerste 12 tot 24 maanden kennen de hersenen en het
centrale zenuwstelsel van de baby een zeer snelle groei
en ontwikkeling. Beschadiging tijdens deze periode zou
dan ook verregaande gevolgen kunnen hebben. Op korte termijn
bestaan de gevolgen voor de baby vooral uit sedatie, zwakte
en een slecht voedingspatroon.
Wanneer men moeders op basis van marihuanagebruik wil
aanraden om kunstvoeding te geven (cf. AAP), dient men
eveneens in vraag te stellen of de moeder in staat is
om hierbij voldoende hygiënisch en correct te werk
te gaan. Kan ze kunstvoeding betalen of bestaat het risico
dat ze snel zal overstappen op voeding die ongeschikt
is voor de leeftijd van de baby? Zal de moeder op tijd
adequate hulp zoeken wanneer de baby vaker ziek wordt
als hij kunstvoeding krijgt?
- Wat is het effect van heroïne op de borstvoeding?
- Heroïne komt terecht in de moedermelk maar heeft
een lage biologische beschikbaarheid voor de baby. Dit
wil zeggen dat het niet goed wordt opgenomen door de baby.
- Wat is het effect van heroïne op de gezondheid
van de baby?
- Heroïnegebruik tijdens de zwangerschap is geassocieerd
met groeiachterstand van de baby. Afhankelijk van de duur
en hoeveelheid van het gebruik zal de baby ontwenningsverschijnselen
hebben. Blootstelling aan heroïne via de moedermelk
leidt bij de baby tot sedatie, ademhalingsmoeilijkheden,
overgeven en prikkelbaarheid.
Heroïnegebruik wordt door de AAP als contra-indicatie
voor borstvoeding beschouwd.
- Wat is het effect van methadon op de borstvoeding?
- Methadon komt in moedermelk terecht met concentraties
die ongeveer gelijk zijn aan de concentratie in het plasma
van de moeder. Methadon bereikt de hoogste concentratie
in moedermelk zowat een half uur tot een uur na de orale
inname door de moeder en heeft een lange halfwaardetijd.
- Wat is het effect van methadon op de gezondheid
van de baby?
- De aanbevelingen i.v.m. borstvoeding zijn tegenstrijdig.
Terwijl de AAP deze moeders afraadt om borstvoeding te
geven wanneer ze > 20 mg/dag innemen, tonen studies
aan dat de hoeveelheid die in de moedermelk terechtkomt
te laag is om nadelige gevolgen voor de baby te hebben.
Wanneer de baby via de moedermelk methadon doorkrijgt
zal dit hem helpen om te ontwennen van de blootstelling
in de baarmoeder. Heel wat borstgevoede baby’s kunnen
op deze manier langzaam ontwennen.
- Borstvoeding en werken
- Afkolven van moedermelk
- Welke verschillende manieren zijn er om af te
kolven?
- Afkolven kan zowel met de hand als met een afkolftoestel
gebeuren. De keuze hangt af van waar de moeder zich best
bij voelt en welke methode het meest geschikt is in haar
specifieke situatie. Wanneer een moeder bvb. maar occasioneel
wil afkolven kan dat makkelijk met de hand en is er geen
afkolftoestel nodig. Bij frequent afkolven kan een elektronische
kolf aangewezen zijn.
- Wat zijn aandachtspunten bij het afkolven?
- Afkolven is iets dat geleerd moet worden. In het begin
zal de moeder vaak slechts kleine hoeveelheden melk afkolven.
Haar lichaam moet zich aanpassen en leren om te reageren
op de stimuli van het kolven. Het is zinvol om in het
begin vooral ’s morgens af te kolven, op een moment
dat de moeder wellicht het meest uitgerust is en meer
melk heeft.
Ter voorbereiding kan de moeder haar borsten masseren,
in de richting van de tepel. Ze kan wrijven met de hele
hand, kleine cirkelvormige bewegingen met de vingers maken
of een vuist maken en met de geplooide vingers over de
borst rollen.
Wanneer de melk moeilijk toeschiet kan het helpen om warme
compressen aan te brengen, de tepels te stimuleren of
voorover leunend de borsten te schudden. Ook een foto
of kleertjes van de baby bij zich houden kan de toeschietreflex
bevorderen.
- Hoe kan afgekolfde moedermelk het best bewaard
worden?
- Bij het bewaren van moedermelk is het steeds belangrijk
om hygiënisch te werk te gaan en de handen te wassen
alvorens te kolven, moedermelk te ontdooien en te gebruiken.
Wanneer men afkolft kan men de melk best rechtstreeks
opvangen in een afsluitbaar flesje, potje of moedermelkzakje.
Tot de leeftijd van zes maanden moet dit recipiënt
steeds steriel zijn.
Het is handig om steeds een etiket met datum en eventueel
uur van afkolven op het recipiënt te voorzien. Melk
van twee verschillende afkolfbeurten kan worden samengegoten
op voorwaarde dat de recentst afgekolfde moedermelk eerst
gekoeld wordt gedurende enkele uren en nadien bij de reeds
gekoelde of ingevroren moedermelk wordt gevoegd.
Onderstaande tabel biedt een overzicht van de kenmerken
van de verschillende recipiënten waarin men moedermelk
kan bewaren.
Type |
Beschrijving |
Voordeel |
Nadeel |
Effect |
Gezonde
baby |
Opvang |
Prematuriteit
of ziekte |
| Polyethylene |
-diepvries-zakjes
-moeder-melkzakjes |
- goedkoop
- geen afwas |
- fragiel
- volume-markeerders niet correct
- handigheid nodig |
- vetverlies
- makkelijk besmet
- kwaliteits-verlies door licht
- verlies van sIgA |
OK |
NEE |
NEE |
| Harde plastic |
- polypropylen
(troebel, beweeglijk)
- poly-carbonate (helder, hard) |
- goed voor
korte periode in koelkast
- duurzaam |
- frequent gebruik
geeft krassen wat kans op bacteriegroei verhoogt |
- klein verlies
van cel-componenten |
OK |
OK |
OK bij goede sluiting
en korte bewaartijden |
Glas |
|
-
bewaart de immuun-componenten best |
-
kan breken |
- kwaliteits-verlies
door licht, cellulaire deeltjes plakken aan de wand
maar laten sneller opnieuw los dan bij plastic |
OK |
NEE |
NEE |
- Hoe lang kan afgekolfde moedermelk bewaard worden?
- Overzicht:
|
Opgewarmd |
Kamertemp.
max. 25°C |
Koeltas
15°C |
Koelkast
achteraan 4°C |
Diepvriesvak
in koelkast |
Diepvries
-18°C |
Verse
moedermelk |
1
uur |
4
uur |
24
uur |
max.
72 uren |
2
weken |
3
tot 6 maanden |
Ontdooide
moedermelk |
1
uur |
1
uur |
|
24
uur |
|
|
Bijkomende opmerkingen:
Bovenstaande richtlijnen gelden voor voldragen en gezonde
baby’s. Voor zieke of premature baby’s worden
andere richtlijnen gehanteerd.
Men plaats de melk best steeds achteraan in de koelkast
of diepvriezer om temperatuurschommelingen en verlies
van unieke eigenschappen te beperken.
Door bewaring verandert het vetgehalte van moedermelk.
Dit verlies kan beperkt worden door het recipiënt
zachtjes te schudden voor gebruik.
Ontdooide melk mag niet opnieuw ingevroren worden.
- Hoe kan afgekolfde moedermelk best opgewarmd worden?
- Afgekolfde moedermelk wordt best op kamertemperatuur
gegeven: dit reactiveert de antistoffen.
Opwarmen gebeurt best in lauw water (stromend of ‘au
bain marie’) of met een flessenwarmer.
Laten opwarmen bij kamertemperatuur wordt afgeraden omwille
van bacteriegroei.
De meningen zijn verdeeld over opwarmen in de microgolfoven
nadelen: beschermende eiwitten verliezen kwaliteit, ongelijke
verdeling van de warmte (‘hot spots’)
indien de microgolfoven toch wordt gebruikt kan men best
in de laagste stand opwarmen en halverwege de melk zachtjes
schudden.
- Hoe kan ingevroren moedermelk het best ontdooid
worden?
- Ingevroren moedermelk laat men bij voorkeur traag achteraan
in de koelkast ontdooien, niet in de deur of groentelade.
Wanneer er geen tijd is om de melk langzaam te laten ontdooien
kan men het recipiënt ook onder stromend water houden
(van koud naar warm). Het is dan echter belangrijk om
het water niet te warm te laten worden aangezien er dan
antistoffen verloren gaan.
Het is afgeraden om moedermelk te laten ontdooien op kamertemperatuur.
Ook mag moedermelk na ontdooiing niet opnieuw worden ingevroren
en niet meer worden gebruikt na 24u.
- Hoeveel afgekolfde moedermelk heeft een baby nodig?
- Als algemene richtlijn kan volgende formule gebruikt
worden om de hoeveelheid melk te bepalen die de baby per
keer drinkt:
150 ml x kg lichaamsgewicht
--------------------------
aantal voedingen per dag
|
aantal voedingen per dag
Een baby van 4 kg die normaal 10 keer op een dag drinkt
zal dus bij benadering 60 ml per voeding nodig hebben.
- Borstvoedingsproblemen
- Wat zijn de kenmerken van een verstopt melkkanaal?
- - pijnlijke, gezwollen, harde en vaak lichtjes rode
plek op de borst
- sommige vrouwen hebben er herhaaldelijk last van en
ontwikkelen als gevolg hiervan een borstontsteking
- Hoe een verstopt melkkanaal behandelen?
- Vaak verdwijnt de verstopping spontaan binnen 24 à 48
uur en is er geen behandeling nodig. Het herstelproces
kan worden bevorderd door:
- door te gaan met voeden aan de borst met het verstopt
melkkanaal
- het gebied met het verstopt melkkanaal goed te draineren,
bvb. door massage en borstcompressie of kolven na de borstvoeding
- te verzekeren dat de baby goed aanhapt en tijdens het
drinken de borst te masseren
- warmte aan te brengen op de pijnlijke plek
- voldoende te rusten.
Voor moeders die erg gevoelig zijn voor steeds terugkerende
verstopte melkkanaaltjes kan het innemen van 1200 mg lecithine,
drie à vier keer per dag, helpen.
- Wat zijn de kenmerken van een borstontsteking?
- - een borstontsteking is een ontstekingsreactie in de
borst, al dan niet gepaard met infectie
- initiële symptomen zijn: vermoeidheid, gevoelige
plek(ken) op de borst, hoofdpijn en grieperige spierpijnen
- vervolgens: koorts, een verhoogde hartslag en het verschijnen
van een warme, rode en pijnlijke zone op de borst
- koorts wijst niet per definitie op een infectie van
buitenaf: de opeenhoping van melk kan eveneens voor bacteriegroei
zorgen
- Wat zijn mogelijke oorzaken van een verstopt melkkanaal
en borstontsteking?
- Een verstopt melkkanaal ontstaat door het opstapelen
van melk. Het niet goed leegdrinken van de borst door
een verkeerde aanlegtechniek is hier meestal verantwoordelijk
voor. Ook kan knellende kleding of een te kleine bh bijdragen
tot een verstopt melkkanaal.
Een verstopt melkkanaal kan leiden tot een borstontsteking.
De oorzaak ligt dan ook meestal in onvoldoende doorstroming
van de borst. Ook kan er bij tepelkloven een infectie
optreden. De pijn bij het voeden zorgt er dan wellicht
voor dat de melk traag toeschiet waardoor er verstopping
ontstaat en de borst niet goed geleegd wordt. We geven
een overzicht van factoren die moeders vatbaar maakt voor
borstontsteking:
- onregelmatig voeden of te weinig voeden
- slecht aanleggen waardoor de melk niet goed stroomt
- een beschadigde tepel, in het bijzonder bij een infectie
met Staphylococcus aureus
- ziekte bij de moeder of de baby
- overvloedige melkproductie of stuwing
- zeer snel spenen
- druk op de borst door een te strakke bh of een strakke
autogordel bijvoorbeeld
- melkblaar, verstopt melkkanaal, Candida-infectie
- stress en vermoeidheid
- ontoereikende voeding van de moeder of anemie
- plots veranderd voedingsschema bijvoorbeeld door het
wegvallen van nachtvoeding of het uitstellen van de borstvoeding
door afwezigheid van de moeder.
- Hoe een borstontsteking behandelen?
- 1. Verbeteren van de doorstroming
- voortzetten van de borstvoeding: voldoende en lang voeden
is essentieel om de doorstroming te verbeteren (best
beginnen met de pijnlijke borst)
- de borst zachtjes masseren tijdens het voeden en evt.
afkolven bevordert de doorstroming
- deskundig advies kan primordiaal zijn in het voorkomen
van een borstabces
2. Pijnverlichting en medicatie
- toepassen van warmte, voldoende vochtinname
- Ibuprofen
- oordeelkundig gebruik van een antibioticum, d.w.z. enkel
wanneer:
- er aanwijzingen zijn voor een bacteriële infectie,
of
- de symptomen vanaf het begin al zeer ernstig zijn,
of
- er een tepelkloof zichtbaar is, of
- de symptomen niet verbeteren na 12 tot 24uur na
het bevorderen van de melkdoorstroming
Voor de baby heeft een borstontsteking weinig gevolgen.
De baby krijgt via de moedermelk antistoffen tegen
eventuele bacteriën. Ook bij gebruik van een
(geschikt) antibioticum kan de moeder gewoon doorgaan
met voeden.
- Hoe kunnen verstopte melkkanalen en borstontsteking
voorkomen worden?
- Preventie bestaat in de eerste plaats uit een goed borstvoedingsmanagement.
Hieronder verstaan we:
- moeders aanleren om de baby correct aan te leggen
- het aanmoedigen van voeden op vraag dus geen beperking
op duur en frequentie van het voeden
- te voeden in wisselende houdingen zodat alle melkkanaaltjes
goed geleegd worden
- de doorstroming van de melk niet te belemmeren door
te strakke kledij of bh
- moeders aanleren om af te kolven met de hand wanneer
de borsten te vol zijn.
Daarnaast is het belangrijk om aandacht te hebben voor
signalen van melkopstapeling. Dit kan door:
- moeders te leren om hun borsten te controleren op pijnlijke
plekken, pijn of roodheid
- rust te nemen bij tekens van melkopstapeling, warmte
toe te passen en pijnlijke plekken te masseren, de baby
extra aanleggen of afkolven
- moeders aan te raden om gespecialiseerde hulp te zoeken
wanneer er binnen 24 uur geen verbetering is.
- Wat zijn de kenmerken van spruw (schimmelinfectie
met Candida Albicans)?
- Bij de moeder:
- tepelpijn tijdens en na het voeden na een pijnloze
periode, waarbij de pijn niet veroorzaakt wordt
door incorrect aanleggen
- de pijn is brandend of diep stekend en kan doorstralen
naar de borstkas/schouders/rug
- de pijn wordt meestal erger naar het einde van de
voeding toe en verergert na de voeding
- de huid van de tepel kan jeuken, glimmen en/of rood
zien met soms witte puntjes of schilfertjes; maar
soms zijn er ook geen uiterlijke kenmerken
- vaak is er een voorgeschiedenis van infecties of
antibioticagebruik
- een infectie kan gepaard gaan met herhaalde borstontstekingen
- Bij de baby:
- aan de binnenkant van de wangen of lippen zijn
soms witte vlekjes zichtbaar, soms witte aanslag
op de tong die niet kan weggeveegd worden met een
tissue
- parelmoerachtige lippen of mondslijmvlies
- de baby kan branderige en vlekkerige luieruitslag
hebben
- soms winderigheid
- soms gaat de baby slechter drinken omdat zuigen
aan de borst pijn doet
- mogelijk is de baby asymptomatisch of gaan de symptomen
ongemerkt voorbij
- In geval van zeer ernstige infectie:
- de infectie kan ook het dieper gelegen borstweefsel
bereiken
- dergelijke infectie gaat gepaard met een brandend
en/of stekend gevoel diep in de borst
- Wat is de oorzaak van spruw?
- Spruw wordt veroorzaakt door de gist Candida Albicans
die aanwezig is op onze huid, in het maag-darmkanaal,
in het baringskanaal en in onze omgeving. Deze gist ontwikkelt
zich vooral goed in vochtige en warme lichaamszones, zoals
in de mond of op de tepel. In sommige omstandigheden zorgt
dit voor een infectie. Wanneer er vocht vrijkomt bij beschadigde
tepels verandert de Candida Albicans van een onschuldige
tot een ziekteverwekkende agent.
De groei van deze schimmel wordt eveneens gestimuleerd
door veelvuldig gebruik van antibiotica.
- Hoe spruw behandelen?
- Voor de baby:
- na elke voeding antischimmelmedicatie aanbrengen in
de mond en in de binnenkant van de wangen, het tandvlees
en de tong (Daktarin ® orale gel) ook als enkel
de moeder symptomen vertoont
- indien nodig kan de luierzone behandeld worden met Daktozin ®
Voor de moeder:
- de moeder moet na elke voeding haar tepels behandelen
met Daktarin ® crème en dit tot 14 dagen na
het verdwijnen van de symptomen, ook als enkel de baby
symptomen vertoont
- bij ernstige en steeds terugkerende schimmelinfectie
wordt een algemene behandeling met Fluconazole aangeraden
voor de moeder en evt. ook de baby
- bij een schimmelinfectie diep in de borst is een behandeling
van minimum 3 weken met Fluconazole in voldoende hoge
dosis aangewezen
Bijkomende aanbevelingen voor de moeder:
- de tepels laten drogen aan de lucht en indien mogelijk
ze blootstellen aan zonlicht gedurende een paar minuten,
twee maal per dag
- borstcompressen vervangen zodra ze vochtig zijn, wasbare
borstcompressen wassen op 60° of meer
- intieme zones steeds goed afdrogen
- volledig katoenen bh’s en ondergoed dragen die
zeer warm gewassen kunnen worden
- vermijden van samen met andere gezinsleden in bad te
gaan
- het gebruik van alcohol, kaas, brood, tarweproducten,
suiker en honing beperken
- dagelijks één tablet acidophilus (melkzuurbacterie)
innemen gedurende twee weken na het verdwijnen van de
symptomen
- een condoom gebruiken om te vermijden dat de infectie
van partner tot partner wordt doorgegeven
- goede hygiëne: handen wassen, eventuele (fop)spenen
dagelijks 10 minuten koken, speelgoed dat de baby in zijn
mondje stopt regelmatig heet afwassen, afkolftoebehoren
elke dag 10 minuten koken
- gebruik zo weinig mogelijk zeep
- de melk die tijdens de infectieperiode wordt afgekolfd
mag vers gegeven worden aan de baby maar wordt beter niet
ingevroren voor later gebruik vermits het invriezen de
schimmel wel inactiveert maar niet vernietigt en het probleem
dan opnieuw zou kunnen beginnen.
- inmasseren van druppel melk op tepel(s) vermijden
Algemene opmerkingen:
- het is mogelijk nodig om alle gezinsleden te behandelen
vermits een schimmelinfectie zich snel verspreidt
- tijdens de behandeling kan de baby verder borstvoeding
krijgen
- wanneer er ook sprake is van een vaginale infectie dient
ook deze behandeld te worden
- het gebruik van antibiotica is niet aangewezen en werkt
de groei van de Candida nog in de hand
- Wat zijn de kenmerken van fysiologische reflux
of regurgutatie?
- Onder fysiologische reflux of regurgitatie verstaan
we het onvrijwillig terugvloeien van de maaginhoud naar
de slokdarm. De baby heeft hier vaak reeds kort na de
geboorte last van. Dit toont zich als volgt:
- de baby laat voeding uit de mond lopen of geeft kleine
hoeveelheden voeding terug, soms de ganse dag door
- de baby ervaart hiervan over het algemeen weinig hinder
- de baby huilt niet tijdens of na de maaltijd
- de baby heeft een goede eetlust
- de baby heeft een normale groei en ontwikkeling.
- Wat zijn de mogelijke oorzaken van fysiologische
reflux of regurgitatie?
- Fysiologische reflux kan verklaard worden door de anatomische
structuur van de overgang tussen de maag en de slokdarm:
- het intra-abdominaal slokdarmsegment is na de
geboorte nog erg kort wat een goede afsluiting van
de slokdarm verhindert, op de leeftijd van 3 maanden
is dit slokdarmsegment meestal lang genoeg om voor
een goede afsluiting te zorgen
- bij de geboorte bestaat er nog geen scherpe hoek
van His. Dit is de hoek die gevormd wordt tussen de
slokdarm en de koepel van de maag en voorkomt reflux
bij drugverhoging in de buikholte
- bij de geboorte is de hoeveelheid spierweefsel in
de overgangszone tussen maag en slokdarm soms onvoldoende.
Dit neemt toe naarmate de baby ouder wordt zodat er
tegen de leeftijd van 6 à 7 weken meestal een
goede basale spierspanning aanwezig is.
- Hoe fysiologische reflux of regurgitatie behandelen?
- Wanneer duidelijk is dat het om fysiologische reflux
gaat, is het belangrijk om aan de ouders uit te leggen
dat dit een normaal en voorbijgaand probleem is. De meeste
baby’s groeien hier vanzelf uit. Een medicinale
behandeling is niet nodig. Wel kunnen een volgende aandachtspunten
helpen om de regurgitatie zoveel mogelijk te beperken:
- de baby rustig laten drinken
- de baby niet te lang laten huilen voor de voeding
- op vraag voeden en geen voeding opdringen
- de baby na de voeding even rechtop houden en de tijd
geven om te boeren
- voor een rustige omgeving zorgen
- na de voeding de baby zo weinig mogelijk manipuleren
zodat de druk op maag en buikholte wordt beperkt (bvb.
verluieren voor de borstvoeding)
- soms kan het helpen om het bedje van de baby aan het
hoofdeinde te verhogen
- voeden in een verticale houding
- het vroeger opstarten van vaste voeding of overstappen
op kunstvoeding wordt niet aanbevolen.
- Wat zijn de kenmerken van pathologische reflux?
- Wanneer de regurgitatie echter gepaard gaat met andere
symptomen kan het gaan om pathologische reflux of refluxziekte.
Symptomen die hierop wijzen zijn:
de baby weigert de borst of wil net heel vaak drinken
- de baby laat de borst vaak los tijdens een voeding
- pijn bij het slikken
- overstrekken tijdens de voeding
- veel, ontroostbaar en soms schel huilen
- de baby wordt onrustig wanneer hij op zijn rug ligt
en voelt zich beter wanneer hij rechtop wordt gehouden
- prikkelbaarheid
- beperkte groei
- de baby is erg gespannen en wordt niet graag geknuffeld
- late aanwijzingen van bloedbraken ten gevolge van slokdarmontsteking
- ook chronisch hoesten en astma kan samenhangen met refluxziekte.
Hierbij merken we nog op dat de baby last kan hebben van
refluxziekte zonder dat er melk wordt teruggegeven. De
melk vloeit dan terug in de slokdarm maar wordt door de
baby opnieuw ingeslikt, zgn. ‘verborgen reflux’.
- Wat zijn de mogelijke oorzaken van pathologische
reflux?
- Terwijl het terugvloeien van melk in de slokdarm op
zichzelf niet problematisch is, kan herhaaldelijke en
langdurige blootstelling aan maagzuur ervoor zorgen dat
de slokdarm geïrriteerd en ontstoken raakt (oesophagitis).
Er kunnen inwendige bloedingen ontstaan en de slokdarm
kan vernauwd raken.
- Hoe pathologische reflux diagnosticeren?
- Het is belangrijk dat nagegaan wordt of het daadwerkelijk
om refluxziekte gaat en er geen andere oorzaken zijn voor
de symptomen. Om na te gaan of er obstructies zijn in
de slokdarm of maag kan een fluoroscopie gedaan worden
waarbij de baby een vloeistof moet drinken die zichtbaar
wordt met röntgenstralen.
De meest gebruikte onderzoeksmethode is de endoscopie.
Een flexibele endoscoop wordt via de mond in de slokdarm
geschoven en laat toe om na te gaan of de slokdarm ontstoken
is en of er obstructies of zweren zijn. Bovendien kan
men eventueel een biopsie nemen van de slokdarm of de
maag zodat deze kan onderzocht worden op aanwezigheid
van bepaalde microben of tumoren.
Om de zuurtegraad in de slokdarm te controleren kan een
24u pH-metrie worden gedaan. Hierbij wordt in de slokdarm
een dun buisje ingebracht tot net boven de maag. Het buisje
is verbonden met een monitor die de zuurtegraad in de
slokdarm alsook de schommelingen hierin registreert.
- Hoe pathologische reflux behandelen?
- Wanneer vaststaat dat de symptomen die de baby vertoont
toe te schrijven zijn aan pathologische reflux zal meestal
een medicinale behandeling nodig zijn. Er kan geopteerd
worden voor medicatie die voor zuurremming zorgt, voor
prokinetica, of een combinatie van beide.
Medicatie die voor zuurremming zorgt:
- Gaviscon®: door de zuurbinding zorgt dit voor een
tijdelijke bufferwerking
- H2-antihistaminca zoals Zantac® (ranitidine) of
protonpompinhibitoren zoals Losec® (omeprazol): remmen
de maagzuurproductie
Prokinetica:
- Motilium® (domperidone): versnelt de motiliteit
in slokdarm en maag, en verhoogt de druk op de onderste
slokdarmsfincter
Enkel bij anatomische afwijkingen, wanneer andere behandelingsmethoden
niet aanslaan en er verdere complicaties zijn, kan een
operatie aangewezen zijn.
- Wat zijn aandachtspunten voor de borstvoeding
bij een baby met pathologische reflux?
- De moeilijkheden met betrekking tot eten en slapen bij
deze kinderen maken een goede begeleiding van de borstvoeding
noodzakelijk. Omdat aangetoond is dat sommige kinderen
met reflux allergisch zijn voor koemelkeiwit, kan de borstvoedende
moeder geadviseerd worden om zuivel te elimineren uit
haar dieet en het effect hiervan na te gaan.
Vaak wordt borstvoedende moeders aangeraden om over te
stappen op kunstvoeding. Hierdoor mist de baby echter
alle unieke eigenschappen van borstvoeding en wordt de
maag zwaarder belast. Het terugvloeien van kunstvoeding
is bovendien agressiever voor de slokdarm dan het terugvloeien
van lichaamseigen moedermelk.
Het indikken van afgekolfde moedermelk is niet aangewezen.
Hoewel de frequentie van het teruggeven hierdoor kan afnemen,
zal de blootstelling van de slokdarm aan maagzuur alleen
maar toenemen. De verklaring hiervoor ligt wellicht in
de minder snelle vertering van ingedikte melk. Het toevoegen
van dikkingsmiddelen aan moedermelk biedt dus geen soelaas.
Het specifiek toevoegen van granen blijkt verder erg ineffectief:
deze granen worden zeer snel afgebroken door de enzymen
in de moedermelk. Bovendien zou het gebruik van granen
om moedermelk in te dikken bij kinderen met pathologische
reflux, verband houden met hoesten.
Het kan helpen om de baby rechtop te voeden, maar vermijd
om hem in een autostoel of kinderstoel te zetten na de
voeding. Hierdoor verhoogt de druk op het middenrif, wat
reflux in de hand werkt.
Mogelijk is de baby erg onrustig en vraagt hij heel vaak
de borst. Soms ontstaat er een vicieuze cirkel: onrust – korte
voeding – meer onrust door een volumineuze voeding
met een hoog lactose- en een laag vetgehalte. Hierbij
is het aangewezen dat de moeder één borst
per voeding geeft (in blokken van bijvoorbeeld drie uur),
zodat de baby minder maar vetrijkere melk krijgt.
- Wat zijn de kenmerken van pylorushypertrofie?
- Pyloriushypertrofie of pylorusstenose toont zich als
volgt:
- projectielbraken onmiddellijk na de voeding
- beginnend vanaf een paar weken na de geboorte
- neemt progressief toe
- Dit klinisch beeld is meestal duidelijk te onderscheiden
van de ‘gewone’ regurgitatie, en komt vooral
voor bij jongens. Soms houdt de baby zo weinig melk binnen
dat de groei achterblijft en de baby uitdrogingsverschijnselen
krijgt.
- Wat zijn de oorzaken van pylorusypertrofie?
- Het normale maagledigingsproces is verstoord doordat
de ingang van de maag (pylorus) niet goed of niet op het
juiste moment opengaat zodat de druk in de maag oploopt
en de maaginhoud krachtig weer uit de mond spuit. De oorzaak
hiervoor is onbekend.
- Hoe pylorushypertrofie diagnosticeren?
- De diagnose wordt gesteld op basis van de anamnese en
een klinisch onderzoek waarbij de pylorische massa palpeerbaar
is en er postprandiaal een duidelijk zichtbare maagperistaltiek
is. Bij een deskundige palpatie is er een olijfvormig
zwellinkje voelbaar. De diagnose kan bevestigd worden
door een echografie.
- Hoe pylorushypertrofie behandelen?
- Hierbij is steeds een operatieve ingreep (pylorotomie)
nodig.
- Wat zijn aandachtspunten voor de borstvoeding
bij een baby met pylorushypertrofie?
- Na de operatie kan de baby onmiddellijk terug op vraag
gevoed worden. Er is aangetoond dat dit de lengte van
het ziekenhuisverblijf significant inkort. Wanneer er
bij het voorbereiden van de operatie en tijdens de operatie
zelf voedingen worden overgeslaan zal de moeder moeten
afkolven om de melkproductie op peil te houden.
- Borstvoeding geven aan een meerling
- Wat zijn de specifieke voordelen van borstvoeding
geven aan een meerling?
- De unieke eigenschappen van moedermelk bieden belangrijke
voordelen bij een meerling. Allereerst biedt moedermelk
een optimale voeding en immunologische bescherming voor
deze baby’s die vaak prematuur geboren worden of
andere gezondheidsproblemen hebben. Ook laat borstvoeding
toe dat de moeder zeer regelmatig intens contact heeft
met elk van de baby’s. Afhankelijk van de voorgeschiedenis
(scheiding na de geboorte) voelen moeders soms een lichte
voorkeur voor één van de baby’s. Door
borstvoeding krijgen beide baby’s veel lichaamscontact
en is het gemakkelijker om zich als moeder op allebei
betrokken te voelen. Midden in de drukte bieden de voedingsmomenten
de moeder bovendien een uitgelezen kans om even te zitten
of te liggen. De borstvoedingshormonen werken daarbij
ontspannend voor de moeder.
- Zal er voldoende melkproductie zijn om meer dan één
baby te voeden?
- Heel wat moeders zijn bezorgd dat ze niet voldoende
melk zullen produceren om meer dan één kind
te voeden. Net als bij een eenling wordt de melkproductie
echter gereguleerd door het principe van vraag en aanbod
en zal het regelmatig aanleggen van de baby’s ervoor
zorgen dat er voldoende melk wordt aangemaakt voor elk
van de baby’s. Als de baby’s vanaf het begin
bij elke voeding aan de borst drinken is bijvoeding niet
nodig. Indien dit niet mogelijk is (bijvoorbeeld door
de conditie van de moeder) wordt bijvoeding bij voorkeur
niet met een flesje gegeven.
- Worden de baby’s best gelijktijdig of apart
gevoed?
- Kort na de geboorte is het meestal aangewezen om elk
van de baby’s individueel te voeden zodat er voldoende
aandacht kan zijn voor het correct aanleggen aan de borst.
Het gelijktijdig voeden van de baby’s kan een flinke
tijdsbesparing vormen, maar moeders hebben vaak wat tijd
nodig om hier handig in te worden. In het begin is het
vaak ook nodig dat iemand de hoofdjes van de baby’s
ondersteunt wanneer de moeder beide baby’s wil aanleggen.
Sommige moeders verkiezen om de baby’s apart te
voeden, zodat ze de kans hebben om met elke baby afzonderlijk
wat tijd door te brengen. Meest voorkomend is dat de moeders
het gelijktijdig en apart voeden afwisselen.
Moeders stellen zich ook vaak de vraag wanneer ze van
borst moeten wisselen. In principe is ieder ‘rotatiesysteem’ goed,
zolang elk van de baby’s op vraag wordt gevoed.
Aanvankelijk wisselen de baby’s per voeding of per
dag van borst om de melkproductie gelijkmatig te stimuleren.
Sommige moeders vinden het handig om elke baby een borst
toe te wijzen. Voor jonge baby’s is het echter ook
belangrijk om regelmatig van kant te wisselen. Dit om
zijn motorische ontwikkeling te stimuleren en scheefgroei
van het hoofdje te voorkomen.
- Welke verschillende voedingshoudingen zijn er
mogelijk?
- Wanneer men de baby’s gelijktijdig wil voeden
zijn er verschillende houdingen mogelijk. Zoals steeds
is het belangrijk dat de moeder comfortabel zit. Men kan
een speciaal borstvoedingskussen voor meerlingen gebruiken.
Dit kussen is langer en breder dan een gewoon borstvoedingskussen.
Riordan, J. (2005). Breastfeeding and Human Lactation.
Massachusetts: Jones and Bartlett Publishers.
A. Rugbyhouding of bakerhouding
Beide baby’s drinken in rugbyhouding. De moeder
kan beide hoofdjes goed ondersteunen met haar handen (het
achterhoofd niet vasthouden!) en de beentjes van de baby’s
liggen onder de armen van de moeder doorgeschoven.
B. Kruishouding
Hierbij liggen beide baby’s in madonnahouding en
liggen de beentjes van de ene baby over de andere baby
heen.
C. Parallelhouding
Hierbij wordt één baby in madonnahouding
gevoed, terwijl de andere baby in rugbyhouding wordt gevoed.
- Kan borstvoeding en kunstvoeding gecombineerd
worden?
- Ja.
Sommige moeders van een meerling kunnen ervoor kiezen
om gedeeltelijk borstvoeding te geven en bij te voeden
met kunstvoeding, of hiertoe genoodzaakt zijn doordat
complicaties bij de geboorte het opstarten van de borstvoeding
bemoeilijkt hebben. Het kan gaan om het geven van een
extraatje aan de baby, of om het systematisch vervangen
van één of meerdere borstvoedingen. Wanneer
de moeder hiervoor kiest is dit meestal ingegeven door
een behoefte aan rust of een aantal uren ononderbroken
slaap. Belangrijk is dat de moeder verteld wordt dat
ze dit ook (en bij voorkeur) kan doen door wat afgekolfde
melk aan haar baby’s te (laten) geven. Als de
moeder toch opteert voor kunstvoeding dient ze te weten
wat de nadelen voor de baby zijn en dat haar melkproductie
hierdoor zal verminderen.
- Zwangerschap en borstvoeding
- Is het mogelijk om borstvoeding te blijven geven
tijdens een nieuwe zwangerschap?
- Ja.
In normale omstandigheden is het lichaam van de vrouw
in staat om zowel voor de groeiende vrucht als voor
de melkproductie te zorgen. Het is belangrijk dat de
moeder weet dat de zwangerschap niet te lijden heeft
onder de borstvoeding, en dat de moedermelk niet ‘schadelijk’ of
kwalitatief minder goed is omdat ze zwanger is.
Moeders die blijven voeden tijdens de zwangerschap worden
aangeraden om voor gezonde voeding te zorgen en eventueel
een vitaminesupplement te nemen.
Wanneer de moeder echter een voorgeschiedenis heeft van
vroeggeboorte, herhaalde spontane abortus, cervixinsufficiëntie,
of wanneer het om een meerlingzwangerschap gaat of er
andere indicaties voor een vroeggeboorte zijn, is deskundig
advies aangewezen bij het beslissen om al dan niet verder
te voeden tijdens de zwangerschap.
- Wat zijn de implicaties van een nieuwe zwangerschap
voor de huidige borstvoeding?
- Wanneer de baby nog maar een paar maanden oud is wanneer
de moeder opnieuw zwanger is, drinkt hij nog een aanzienlijke
hoeveelheid melk. Het is dan belangrijk dat de moeder
kan rekenen op voldoende rust, gezonde voeding en steun
van haar omgeving. Bij een groter kind wordt er fysiek
minder van de moeder gevergd. Het oudste kind drinkt dan
niet meer zo veel melk en de borstvoeding heeft veeleer
een emotionele functie. In dit geval stellen zich meestal
weinig moeilijkheden.
Voeden tijdens de zwangerschap heeft echter een aantal
gevolgen waarmee men eveneens rekening dient te houden:
- hormonale veranderingen kunnen zorgen voor acute pijn
in de tepels of borsten
- hormonale veranderingen vroeg in de zwangerschap kunnen
voor vermoeidheid zorgen
- vaak neemt de melkproductie, alsook het aantal voedingen
tijdens de zwangerschap af (vooral in het begin, later
werkt het systeem van vraag en aanbod weer als voordien);
hierdoor gaan sommige kinderen zich in deze periode zelf
spenen
- de veranderde hormoonhuishouding zorgt voor een verlaagd
lactose-gehalte en een verhoogd natrium-gehalte, waardoor
de smaak van de moedermelk verandert
- vrouwen die voeden ervaren uteriene contracties; op
voorwaarde dat er geen risico op vroeggeboorte aanwezig
is, zijn hier geen gevaren aan verbonden.
- Wat is tandemvoeden?
- Onder tandemvoeden verstaan we het voeden van een baby
terwijl ook nog een ouder kind aan de borst drinkt. Dat
het oudere kind aan de borst mag blijven drinken wanneer
er een nieuwe baby komt, maakt dat hij de baby gemakkelijker
zal aanvaarden en er minder jaloezie zal zijn.
Net zoals wanneer de moeder geen ouder kind meer aan de
borst zou hebben, zal zij na de bevalling voldoende colostrum
produceren en zal de melk langzaam overgaan in rijpe moedermelk.
Het is echter wel nodig dat de pasgeboren baby steeds
als eerste kan drinken omdat het colostrum voor hem van
groot belang is. Het is best om niet één
borst per kind te reserveren, maar van borst te wisselen.
Er kunnen verschillende voedingspatronen uitgeprobeerd
worden, zoals de baby en het oudere kind tegelijk voeden,
variëren wie wanneer gedurende de dag wordt gevoed
of het oudere kind vaste voedingstijden geven waarop het
kan rekenen, totdat duidelijk is wat best werkt.
- Spenen
- Hoe kan men een kind best spenen?
- Idealiter wacht men met spenen tot het kind zelf aangeeft
dat het hier klaar voor is en zowel op emotioneel als
nutritioneel vlak geen of minder behoefte heeft aan borstvoeding.
Een kind zal zichzelf pas spenen op het moment dat hij
de meeste voedingsstoffen via vaste voeding krijgt en
al goed uit een kopje kan drinken. Hij bouwt zelf het
aantal borstvoedingen af. Wanneer het kind de kans wordt
gegeven om zichzelf te spenen, zal dit ergens tussen het
tweede en vierde levensjaar plaatsvinden. Het is erg onwaarschijnlijk
dat een kind jonger dan 18 à 24 maanden zich uit
zichzelf zal gaan spenen zonder dat hij hiertoe wordt
aangemoedigd door de moeder.
Het natuurlijk speenproces verloopt erg geleidelijk. Gedurende
verschillende maanden vraagt het kind steeds een voeding
minder. De moeder volgt de signalen van de baby waardoor
de baby op eigen tempo kan wennen aan andere voedingsmanieren.
- Wat zijn aandachtspunten bij het vroeg afbouwen
van de borstvoeding op initiatief van de moeder?
- Wanneer de moeder de borstvoeding wil of moet stopzetten
vooraleer de baby aangeeft hier klaar voor te zijn, is
het erg belangrijk om dit geleidelijk aan te doen. Dit
stelt zowel moeder als baby in staat om zich aan te passen
aan de nieuwe situatie. Terwijl dit voor de moeder van
belang is om verstopte melkkanaaltjes en een borstontsteking
te voorkomen, laat het voor het kind toe dat andere vormen
van voeding, affectie en aandacht langzaam de borstvoeding
kunnen compenseren. Dit geleidelijk spenen laat ook toe
dat de concentratie aan antistoffen in de moedermelk kan
toenemen, zodat het kind nog een laatste extra bescherming
meekrijgt.
Best kan men één voeding tegelijk minderen.
Na een aanpassingsperiode van een kleine week en wanneer
de moeder geen last heeft van pijnlijke stuwing, kan vervolgens
opnieuw een borstvoeding worden vervangen. Een evenwichtige
spreiding van de resterende voedingen over 24 uur is aangewezen
(bijvoorbeeld in eerste instantie de ochtend- en avondvoeding
behouden). Vaak is veel geduld en flexibiliteit van de
moeder nodig. Belangrijk is ook om doorheen de dag wat
extra affectie en aandacht aan het kind te geven. Borstvoeding
is namelijk meer dan voeding alleen en voorziet ook in
emotionele behoeften van het kind.
Abrupt stoppen met borstvoeding is slechts in zeer uitzonderlijke
gevallen nodig, en vereist goede begeleiding om verstopte
melkkanaaltjes en borstontsteking te voorkomen.
Verder is het niet aangewezen om te starten met het afbouwen
van de borstvoeding op een moment dat de baby ziek is
of er andere problemen zijn.
- Wat te doen bij flesweigering?
- Voor de meeste baby’s die borstvoeding krijgen
duurt het een tijdje vooraleer ze aan de fles willen of
kunnen drinken. Het drinken aan een flesje vereist immers
andere mond- en tongbewegingen dan het drinken aan de
borst. Sommige baby’s weigeren de fles echter resoluut.
In wat volgt geven we een aantal tips die in deze situatie
kunnen helpen.
- Bied het flesje wat eerder aan dan het gewoonlijke voedingsmoment,
zodat de baby geïnteresseerd is maar niet zo hongerig
dat hij gefrustreerd raakt.
- Bied het flesje eens aan wanneer de baby slaperig is.
- Laat iemand anders het flesje geven. Wanneer de moeder
dit doet zal de baby de moeder zien en ruiken, en niet
begrijpen waarom hij geen borstvoeding krijgt.
- Wanneer iemand anders het flesje geeft, is het beter
dat de moeder niet in huis is zodat de baby haar niet
kan ruiken.
- Gebruik evt. een speentje dat lijkt op de fopspeen van
de baby.
- Probeer verschillende speentjes uit. Sommige baby’s
prefereren een snelle toevloed van de melk, andere een
trage.
- Verwarm het speentje met warm water om het wat aangenamer
te maken.
- Breng wat moedermelk aan op het speentje. Wanneer de
baby dit proeft zal hij mogelijk beginnen te zuigen om
meer te krijgen.
- Laat de baby spelen met het speentje zodat hij er vertrouwd
mee raakt.
- Probeer de baby in een andere houding te voeden, bijvoorbeeld
in een kinderstoel, rechtop, zodat je hem kan aankijken
bij het voeden.
- Probeer de baby af te leiden op het moment dat hij de
fles krijgt, door rond te wandelen, tegen hem te praten,
te wiegen.
- Als een moeder weet dat ze haar baby af en toe voeding
zal moeten geven met de fles, omdat ze terug gaat werken
bijvoorbeeld, dan kan ze vanaf de leeftijd van 6 weken à 3
maanden af en toe wat moedermelk in een flesje geven.
Zo kan de baby wennen aan het drinken van een flesje.
Wat werkt bij de baby is erg individueel en het blijft
zoeken. Belangrijk is echter om geduldig te blijven en
de baby niet te dwingen of te forceren. Dit werkt aversie
in de hand en maakt het probleem enkel erger. Wanneer
de baby de fles drie keer weigert, is het beter om het
erbij te laten en later opnieuw te proberen. Wel is het
goed om de baby daarna niet onmiddellijk borstvoeding
te geven, maar eerst iets anders te doen zodat de baby
het weigeren van de fles niet beloond ziet met drinken
aan de borst.
Een alternatief is om de baby niet met de fles te voeden
maar hem te leren om aan een kopje of bekertje te drinken.
Ook een melkpapje (vb. moedermelk met meel) met een lepeltje
kan een oplossing zijn voor een moeder die moet gaan werken.
GERAADPLEEGDE BRONNEN
Bailey, D.J., Andres, J.M., Danek, G.D., and V.M. Pineiro-Carrero (1987). Lack of efficacy of thickened feeding as treatment for gastroesophageal reflux. The Journal of Pediatrics, 110, pp. 187-189.
Bonyata, K., Becky, F. and P. Yount (2001). Weaning: How does it happen?http://www.kellymom.com/bf/weaning/how_weaning_happens.html
Buss, I.H., McGill, F., Darlow, B.A. and C.C. Winterbourn (2001). Vitamin C is reduced in human milk after storage. Acta Paediatrica, 90, pp. 813-815.
Adams, J. & A. Dedry (2006). Succesvol borstvoeding geven in Vlaanderen. Kan het? Leuven: De Bakermat.
de Reede, A. (2003). Begeleiding bij borstvoeding. Wijk bij Duurstede en Krimpen aan de Lek: Vereniging Borstvoeding Natuurlijk en Stichting Zorg voor Borstvoeding.
De Ronne, N. (z.d.). Voedingsproblemen bij zuigelingen en peuters. Brussel: Kind en Gezin.
La Leche League International (2002). Handboek lactatiebegeleiding. Utrecht: Uitgeverij Lemma.
Lawrence, R. (1994). Breastfeeding: a guide for the medical profession, 4th ed. St. Louis: Mosby.
Moscone, S.R. and M.J. Moore (1993). Breastfeeding during pregnancy. Journal of Human Lactation, 9, pp. 83-88.
Orenstein, S.R., Shalaby, T.M. and P.E. Putnam (1992). Thickened feedings as a cause of increased coughing when used as a therapy for gastroesophageal reflux in infants. The Journal of Pediatrics, 121 (6), pp. 913-915.
Pardou, A., Serruys, E., Mascart-Lemone, F., Dramaix, M. and H.L. Vis (1994). Human milk banking : influence of storage processes and of bacterial contamination on some milk constituents. Biology of the neonate, 65, pp. 302-309.
Quan, R., C. Yang, Rubinstein, S., Lewiston, N.J., Sunshine, P.,Stevenson, D.K. and J.A. Jr. Kerner (1992). Effects of microwave radiation on anti-infective factors in human milk. Pediatrics, 89 (4 Pt 1), pp. 667-669.
Riordan, J. (2005). Breastfeeding and Human Lactation. Massachusetts: Jones and Bartlett Publishers.
SEIN (2002). Onderzoek naar de voedingssituatie van jonge kinderen. Diepenbeek: SEIN.
Sigman, M., Burke, K.I., Swarner, O.W. and G.W. Shavlik (1989). Effects of microwaving human milk: changes in IgA content and bacterial count. Journal of the American Dietetic Association, 89, pp. 690-692.
The Academy of Breastfeeding Medicine (2004). Clinical Protocol n° 12: Transition to Breastfeeding/Breastmilk-fed Premature Infant from the Neonatal Intensive Care Unit to Home. >http://www.bfmed.org
The Academy of Breastfeeding Medicine (2002). Clinical Protocol n° 4: Mastitis. http://www.bfmed.org/
The American Academy of Pediatrics (2005). Policy statement. Breastfeeding and the use of human milk. Pediatrics, 115 (2), pp. 496-506. http://aappolicy.aappublications.org/cgi/content/full/pediatrics;115/2/496
Van der Wijden, C., Kleijen, J., Van den Berk, T. (2003). Lactational amenorrhea for family planning. The Cochrane Database of Systematic Reviews, 4. Art. No.: CD001329.
World Health Organization (1998). Evidence for the Ten Steps to Successful Breastfeeding. WHO/CHD/98.9. Geneva: WHO.
http://www.who.int/child-adolescent-health/New_Publications/NUTRITION/WHO_CHD_98.9.pdf.
World Health Organization (z.d.). Nutrition. Infant and Young Child. Exclusive Breastfeeding. Geneva. http://www.who.int/child-adolescent-health/NUTRITION/infant_exclusive.htm.
World Health Organization (2000). Mastitis. Causes and Management, p. 1. WHO/FCH/CAH/00.13. Geneva: WHO. http://www.who.int/reproductive-health/docs/mastitis/mastitis.pdf.
|